Groei van de productie is gevaar voor het milieu

In hun artikel op de opiniepagina van NRC Handelsblad van 15 juli stellen Henk Folmer en Rien Komen dat de groei van de productie een belangrijke voorwaarde vormt voor het behoud van het milieu. Permanente groei is volgens hen wel degelijk mogelijk, als er maar een adequaat milieubeleid wordt gevoerd.

Deze conclusies berusten - helaas, want wie zou dit niet wensen? - op een aantal misvattingen. Niet dat ik het met alles wat Folmer en Komen schrijven, oneens ben. Zo vind ik ook dat instrumenten zoals heffingen (vooral heffingen die voor het elimineren van de vervuiling zijn bestemd) en verhandelbare emissierechten te verkiezen zijn boven selectieve krimp of zelfs een aselectieve stop van de productiegroei. Heffingen leiden immers tot hetzelfde resultaat op een hoger welvaartsniveau, niet alleen door een grotere efficiëntie maar vooral ook doordat consumenten bij veranderende prijzen hun eigen keuze kunnen blijven maken.

Ook ben ik het ermee eens dat er tegenover de krimp nieuwe werkgelegenheid moet komen te staan. Onder de meest logische condities zal dit ook het geval zijn. De auteurs voegen hier echter aan toe: “Maar dat betekent groei elders.” Dat ben ik niet met ze eens.

De inzet van heffingen en van emissierechten heeft twee soorten effecten. Deze instrumenten leiden tot het nemen van technische maatregelen. Dit betekent dat er meer productiefactoren worden ingezet voor hetzelfde product, dat wil zeggen extra kosten, dus minder groei. Als iets duurder wordt heeft dat een negatief effect op het niveau van het nationaal inkomen. Wordt het daarentegen goedkoper dan is er een positief effect.

Daarnaast hebben de genoemde instrumenten het effect dat er vraag ontstaat naar andere, minder milieubelastende producten. Dat zorgt voor een uitbreiding van andere sectoren. Ook dat betekent een rem op de groei, en wel om de volgende reden. Ongeveer een kwart tot eenderde van de activiteiten die het nationaal inkomen vormen dragen niet bij tot de groei ervan, omdat het moeilijk of onmogelijk is de ontwikkeling van de productiviteit te meten. Hiertoe behoren onder andere de producten van de overheid zoals bestuur en rechtspraak, de meeste culturele activiteiten zoals muziek en toneel, en onderwijs.

Bij een ander deel van de activiteiten zijn de bijdragen aan de groei van het nationaal inkomen gering. Het overgrote deel van de groei wordt dan ook gegenereerd door zeer hoge productiviteitsstijgingen in de overige activiteiten.

Helaas zijn dat nu juist de activiteiten die door gebruik van ruimte, bodem en grondstoffen en door vervuiling, bij de productie of de consumptie, de sterkste aantasting van het milieu veroorzaken. Tot deze activiteiten behoren de aardolieverwerkende en petrochemische industrie, landbouw, openbare nutsbedrijven, wegenbouw, vervoer en delfstoffenwinning. Rond dertig procent van alle activiteiten, precies de meest milieubelastende, genereert rond zeventig procent van de productiegroei.

Deze groei wordt als gevolg van vraag en aanbod en allerlei koppelingsmechanismen gespreid over de samenleving. Dit blijkt uit statistisch onderzoek, maar het kan ook met het blote oog worden waargenomen. Zo is wat een kapper produceert niet noemenswaard meer dan wat zijn collega veertig jaar geleden produceerde, terwijl zijn toegevoegde waarde, zijn reële inkomen, zijn claim op een volume geproduceerde goederen over deze periode is gestegen met ongeveer een factor vier. Die volumestijging is in andere sectoren van de bedrijvigheid tot stand gebracht.

Een verschuiving naar minder belastende activiteiten betekent daarom, anders dan Folmer en Komen denken, een rem op de groei. En een verdubbeling van de productie bij gelijktijdige halvering van de druk op het milieu vergt blijkbaar veel meer dan de roemruchte 'factor 4' voor de milieu-efficiëntie.

De auteurs stellen verder dat de bereidheid om offers te brengen voor een goed milieu toeneemt met een stijgend inkomen. Zij trekken daaruit de conclusie dat groei goed is voor het milieu. Dit is een redenering die zichzelf in de staart bijt. Stijgend inkomen is immers niets anders dan een stijgende hoeveelheid goederen. Bij de beschikbare technologie blijft de milieubelasting per eenheid-activiteit gelijk, zodat meer productie en consumptie meer belasting van het milieu veroorzaakt.

De offers die moeten worden gebracht worden dus hoger naarmate de productie stijgt. Ze bestaan uit de kosten van technische maatregelen of een verschuiving naar consumptie die niet de eerste keus van de economische subjecten was. Het eerste heeft een negatief effect op het niveau van het nationaal inkomen, het tweede betekent een rem op de groei.

Daarnaast moeten we bedenken dat de kosten van een product bij de beschikbare technologie sterk progressief stijgen naarmate het (zuiverings)rendement van maatregelen wordt vergroot. Nu blijft de technologie niet stil staan. Verbeterde technologie levert een hoger rendement. Maar naarmate de productie groeit moet ook het rendement omhoog, terwijl het gegeven van de progressief oplopende kosten bij rendementsverhoging blijft bestaan. Blijkbaar is er een race tussen milieutechnologie en productiegroei, waarvan de uitkomst niet kan worden voorspeld.

Het pleidooi van Folmer en Komen voor permanente productiegroei komt dus neer op een gok, met als inzet de levensvoorwaarden van toekomstige generaties, vooral omdat een aantal belastingen, zoals C0 en ruimtegebruik (de voornaamste oorzaak van het uitsterven van soorten) cumuleren. Een vermindering van de belasting betekent daardoor slechts een vertraging van de verslechtering.

Over het verloop van de wedloop tussen groei en milieurendement is op grond van empirisch onderzoek wel iets te vertellen, dat niet hoopvol stemt. Folmer en Komen hebben bij hun pleidooi voor groei zonder twijfel de roemruchte groene Kuznets-curve voor ogen gehad, waarover zij elders publiceerden. Deze komt hierop neer: bij groei neemt de milieubelasting eerst toe maar daarna af. Deze - niet onomstreden - curve speelt al jaren wereldwijd een dominante rol in de discussie over groei en milieu.

Maar niemand heeft tot nu toe gezien wat Sander de Bruyn van de Vrije Universiteit van Amsterdam boven water heeft getild. In zijn onlangs verschenen artikel 'De ontkoppeling ontmaskerd' (Economisch-Statistische Berichten, 25-6-1997) toont hij aan dat de vermoede relatie tussen milieurendement en groei niet op empirie berust, maar op een postulaat. Hij komt tot een tegengestelde conclusie: meer groei leidt altijd tot een stijging of verminderde daling van de milieubelasting. Met name bij het broeikasgas C0 blijft de toename van de milieuproductiviteit achter bij de toename van de productie. Met andere woorden: de race tussen groei en milieutechnologie wordt tot nog toe door de technologie verloren.

Het gaat hier nog slechts om enkele vervuilende stoffen. Maar om productiegroei en milieubehoud te combineren zou een technologie beschikbaar moeten komen die voldoende schoon is, energie en grondstoffen niet uitput, de bodem intact laat, voldoende ruimte laat voor het overleven van planten- en diersoorten en goedkoper is dan de thans beschikbare technologie.

Dit is nauwelijks denkbaar voor het hele terrein van onze activiteiten. Maar niets mag natuurlijk worden uitgesloten. We hebben nationaal en mondiaal al een enorme schuld opgebouwd aan komende generaties van wie we het milieu in bruikleen hebben. Laten we daarom alles op alles zetten om zo'n technologie te realiseren en ophouden met praten over en pleiten voor groei. Want dat is een uiterst riskante bezigheid.