Frater tussen de Tartaren

Guillaume de Rubrouck: Voyage dans l'Empire Mongol (1253-1255). Traduction et commentaire de Claude et René Kappler, Préface de Jean-Paul Roux (Paris: Payot, 1985).

ROND 1 JUNI van het jaar 1253 zette zich in Soldaya op de Krim een kleine karavaan van zes ossenwagens en een vijftal paarden in beweging. Aan het hoofd van de stoet reed een zwaargebouwde Franciscaner monnik, frater Willem van Rubroek, afkomstig uit Frans-Vlaanderen; naast hem een Italiaanse ordebroeder, Bartolomeus van Cremona; daarachter volgden een jonge geestelijke, genaamd Gosset, een tolk, Homodei, en Nicolaas, een voormalige slaaf die zij in Konstantinopel hadden vrijgekocht. Twee knechten menden de wagens en zorgden voor de dieren. Doel van de expeditie was: in opdracht van koning Lodewijk IX van Frankrijk contact te zoeken met de heersers over het immense Mongolenrijk dat zich van Korea tot aan de Middellandse Zee uitstrekte.

Drie dagen na hun vertrek uit Soldaya zagen zij de eerste 'Tartaren' (met deze aan de onderwereld - Tartarus - herinnerende naam duidde men in Europa de Mongolen aan). 'Het was of ik een andere wereld binnenreed', zou Willem later in zijn reisverslag aan de Franse koning schrijven. Kort na 22 juli staken zij de Don over, de rivier die al in de Oudheid als grens tussen Europa en Azië gold, en begin augustus bereikten zij het kampement van de Mongoolse vorst Batoe aan de benedenloop van de Wolga. Hier moesten Gosset en Nicolaas achterblijven; slechts de twee priesters kregen toestemming met hun tolk verder te reizen.

De gids die hun werd toegewezen waarschuwde dat de reis naar het kamp van Mangoe-Khan vier maanden zou gaan duren. Om zich te wapenen tegen een koude die stenen en bomen doet splijten, kregen zij pelsmantels en broeken van schapebont en vilten laarzen. Nu de ossewagens waren achtergebleven, kon het reistempo aanzienlijk worden opgevoerd, doordat zij gebruik mochten maken van de paardenwisseldienst van de Grote Khan. Dag na dag legden zij, naar Willems schatting, de afstand Parijs-Orléans (circa 100 kilometer) af, vaak nog meer. Soms werd er drie maal op een dag van paarden gewisseld; soms moesten zij twee of drie dagen achtereen met dezelfde paarden doen. Gegeten werd er alleen 's avonds. Als zij gedwongen waren de nacht in het open veld door te brengen, moesten zij zich vaak tevreden stellen met een stuk rauw vlees, ontdooid boven een vuurtje van paardenvijgen. Op 27 december bereikten zij het kamp van Mangoe-Khan, kleinzoon en opvolger van Djingiz-Khan, waar zij tot in maart zouden blijven. Op 4 april 1254 trokken zij, na een reis van in totaal meer dan 8000 km, de hoofdstad van het rijk binnen: Karakorum, aan de bovenloop van de Orkhon, ten zuidwesten van het huidige Oelan Bator.

Wat is Willem van Rubroek voor een man geweest? Uit zijn Itinerarium komt hij naar voren als een robuuste pater met een ontembare levenslust. 'Wees niet bang', zegt Mangoe-Khan, als Willem eindelijk voor hem staat, waarop hij antwoordt: 'Als ik bang was, was ik hier niet gekomen'. Hij is rotsvast overtuigd van de superioriteit van zijn geloof, en ergert zich voortdurend aan de in zijn ogen twijfelachtige praktijken van de Nestoriaanse priesters, leden van een oosterse christelijke kerk die aan het Mongoolse hof op tamelijk veel sympathie kon rekenen. Hij heeft een merkwaardig gevoel voor humor en is zeker niet wars van effectbejag. Zo jaagt hij iedereen de stuipen op het lijf door samen met een Armeense monnik, die voor de gelegenheid een hoed met pauweveren heeft opgezet waarop een kruis is gemonteerd, in een processie-van-twee-personen door Mangoe-Khans tentenkamp te trekken achter een zelfgemaakt kruisvaandel aan een lange bamboestok, onderwijl uit volle borst een hymne zingend ter ere van Christus, die - zo luidt de tekst - 'de Tartarus zijn buit ontroofd heeft'.

Wat Willem van Rubroek een plaats onder de grote reizigers naar Azië verschaft, is zijn intelligente nieuwsgierigheid, waarvan bijna elke bladzij van zijn reisverslag getuigt. Hij is de eerste die een adequate beschrijving geeft van de sjamanistische rituelen van Siberische tovenaars, de eerste ook die de Tibetaanse variant van het boeddhistische geloof aan reïncarnatie beschrijft. Maar als ik zijn kwaliteiten als etnoloog met één citaat zou moeten aantonen, dan zou ik het volgende zinnetje kiezen, waaruit blijkt dat hij, als allereerste westerling, iets van het Chinese schrift heeft begrepen: 'zij (de Chinezen) brengen in één teken (één karakter) verschillende letters bijeen die samen één woord vormen'.