Econoom leert van dier

“Zonder hun instincten zijn mensen niet in staat wijze economische besluiten te nemen.” De mens is een dier als alle andere en geen rationeel wezen. Als economen dat maar in hun achterhoofd houden, worden hun modellen veel beter.

NEW YORK, 2 AUG. Ratten, apen en economen - wat hebben zij met elkaar van doen? Meestal niets, maar dat moet anders. Dat was de boodschap op een onlangs in Pittsburgh gehouden conferentie. De econoom die wil begrijpen hoe mensen hun economische beslissingen nemen, kan van dierproeven namelijk heel wat leren.

Uit hersenonderzoek blijkt dat ratten en apen 'economische' keuzes, bijvoorbeeld een beetje voedsel nu in plaats van veel straks, voor een belangrijk deel met de meer naar achter gelegen hersenmassa maken. Dat gedeelte heet de amygdala en is de bron van impulsen en emoties. Al bijna een eeuw gaan economen er vanuit dat mensen de amygdala niet gebruiken bij het nemen van economische beslissingen; dat zij hun instincten en emoties uitschakelen en alleen de voorkant van het brein, het rationele en analytische deel, laten spreken.

Hoe achterhaald dat idee ook mag zijn, economen houden er aan vast. “Geobsedeerd door de notie van de rationele mens”, hanteren zij theorieën en modellen die “in psychologisch opzicht armoedig en op veel punten simpelweg fout zijn”, aldus de econoom Colin Camerer. Te vaak struikelen economen daardoor over menselijk gedrag dat ze niet hadden voorzien of niet kunnen verklaren.

Camerer organiseerde om die reden, samen met zijn collega George Loewenstein, een congres over Neurobehavioral Economics, neurogedragseconomie. Hier werden economen door neurowetenschappers aangemoedigd de mens vooral te zien als een dier zoals alle andere dieren, met alleen wat extra hersenschors. Economen zijn geneigd zich blind te staren op dit extraatje, dat een verhoudingsgewijs veel groter analytisch vermogen met zich meebrengt. Het is tijd, vinden de neurowetenschappers, daar mee op te houden.

“Wanneer de Economische Mens inderdaad puur op basis van logica en ratio zou handelen”, zegt de Canadese neurobioloog Peter Shizgal, “zou de wereld er niet best aan toe zijn. Keer op keer blijkt dat personen met een beschadiging van de amygdala ronduit slecht zaken doen. Hoe intelligent ook, ze verliezen veel geld, ze gaan in zee met onbetrouwbare figuren, ze doen twijfelachtige investeringen. Zonder hun instincten zijn ze niet in staat wijze besluiten te nemen.”

Instincten en impulsen zijn echter lastig in wiskundige modellen te passen; de reden dat het vakgebied der economie ze er aan het begin van deze eeuw maar gewoon uitgelaten heeft. “Maar voor een rijker en completer begrip van de manier waarop de Economische Mens zich gedraagt, is het absoluut noodzakelijk dat ze niet langer worden genegeerd”, aldus Shizgal.

De neurowetenschap kan economen hierbij helpen; door hen een rechtstreeks kijkje in het brein te gunnen. “Economisch beslissingsprocessen kun je via een hersenscan zien”, zegt Camerer. “Via het meten van de hersenactiviteit in verschillende delen van het brein kan bekeken worden welke economische beslissingen door welk gedeelte van de hersenen wordt genomen.

“Uit proeven met ratten en apen blijkt dan dat 'wijze' besluiten de uitkomst zijn van evenwichtige onderhandelingen tussen de voor- en achterkant van de hersenen. 'Onwijze' keuzes daarentegen komen voort uit een verstoord onderhandelingsproces.” De rat die voedsel, maar tevens een kleine elektrische schok krijgt door op een knop te drukken, heeft een evenwichtige dialoog gaande wanneer hij de knop slechts zo vaak aanraakt als nodig is om in leven te blijven. De rat die blijft kiezen voor uitermate aangename electrische hersenprikkels in plaats van voor voedsel - net zo lang tot hij sterft van de honger - heeft die evenwichtige dialoog niet. Hij, zo blijkt, heeft een bruisende amygdala maar een nogal 'bloedeloos' rationeel centrum.

De vraag is natuurlijk hoe de dialoog tussen ratio en gevoel verstoord raakt. Ook daarin hebben neurologen enig inzicht. “De hersenen geven aangeboden zaken emotionele en rationele waardepunten mee”, legt Shizgal uit. “Hoeveel punten worden toegekend, hangt af van tal van factoren. Wat voor gevoel geeft het aangebodene, hoe lang duurt dat gevoel, hoe intens is dat gevoel, hoe hard heeft het lichaam het aangebodene nodig of hoeveel schade richten het aan, hoe vaak is het beschikbaar?”

“Het blijkt dat dingen die leiden tot een zeer intense, relatief korte of kleine maar wel onmiddellijke beloning, meer waardepunten krijgen dan dingen waarbij de beloning absoluut gezien groter is, maar minder intens is en langer op zich laat wachten. Het blijkt tevens dat de amygdala hiervoor verantwoordelijk is, door het rationele hersendeel als het ware te overschreeuwen.”

Dit gebeurt niet alleen bij dieren. In de hersenen van de cocaïneverslaafde rinkelen de bellen van de amygdala zo hard wanneer de dealer wordt gesignaleerd, dat de ratio er niet tegenop kan. En de meeste mensen doen wel eens een impulsaankoop die ze zich eigenlijk niet konden veroorloven.

Wanneer economen dit aanvaarden, en met behulp van de neurowetenschap op zoek gaan naar factoren die het evenwicht tussen ratio en emotie verstoren, zullen ze menselijk economisch gedrag beter kunnen begrijpen en dus ook beter kunnen beïnvloeden. “Als je een manier kunt vinden om de hersenen het fenomeen sparen meer waardepunten te laten geven, heb je bijvoorbeeld geen (uitgebreid) sociaal zekerheidsstelsel nodig”, zegt Camerer. “Als je een manier kunt vinden om de hersenen minder waardepunten toe te laten kennen aan drugsgebruik, vallen er minder drugsdoden en daalt de criminaliteit.”

Voorlopig is het zaak de hersenen van economen meer waardepunten te laten toekennen aan het idee van de niet zo rationele mens.