déjà vu

Sprinters behoren tot het type mensen dat zich ten doel heeft gesteld zich over een zo kort mogelijke afstand zo snel mogelijk te verplaatsen. Wanneer eenmaal het sein voor vertrek is gegeven rennen ze in allerijl naar het eindpunt. Er zijn lopende, zwemmende, fietsende, roeiende en gemotoriseerde sprinters.

Niet alleen lichamelijke vaardigheid en kracht zijn van belang, ook een snelle start biedt aanzienlijk voordeel. De kunst is zo kort mogelijk na het startsein de sprint in te zetten - of beter: gelijk met het startsein. Soms wordt een sprinter betrapt op een te vroege start en wordt hem op straffe van uitsluiting gemaand bij de volgende keer wel op tijd te vertrekken. Op de lopende sprint - over 100 en 200 meter - is in de loop der jaren veel veranderd in de starthouding. Hoe de Griekse lopers in de oudheid startten is niet duidelijk. Veel later, toen in Engeland op kermissen en jaarmarkten jonge mannen om het snelst liepen, waren starthoudingen vrijwel identiek. Pas eind vorige eeuw meenden Amerikaanse sprinters de gunstigste houding gevonden te hebben. Tom Burke, een 400 meter loper, startte op de eerste moderne Spelen in 1896 in Athene tot hilariteit van menigeen staande op handen en voeten. Maar hij won wèl, nog wel in twaalf seconden. Het zou nog even duren voordat anderen deze houding overnamen. Intussen beseffen sprinters dat een goed begin het halve werk is.