Bezochte doden; Onderzoek insectenfauna kan beslissend zijn bij oplossen moordzaken

In de forensische entomologie wordt insectenkunde gebruikt ten behoeve van rechtsvinding. Dr. J. Krikken, een van de twee Nederlandse specialisten op dit terrein, krijgt jaarlijks twee à drie zaken voorgeschoteld.

ENIGE JAREN GELEDEN werd in de staat Maryland in de VS onder een hoogspanningsleiding het lijk gevonden van een jonge vrouw. De kleding was vrijwel intact, maar het kadaver verkeerde midden in de ontbindingsfase en grote kolonies maden concentreerden zich vooral op de borst en in de nek. Ook de handpalmen bevatten veel maden. De identificatie leverde geen problemen op: het betrof een vrouw die enige dagen daarvoor van huis was gegaan voor een avondwandeling en niet terugkeerde. De Amerikaanse recherche oordeelde dat de vrouw was overleden aan een overdosis drugs en nam geen monsters van de insectenfauna op het lijk.

Later ontstaat twijfel aan deze lezing en de recherche verzoekt de afdeling forensische entomologie om op basis van foto's van het lijk in situ te bepalen of het ontwikkelingsstadium van de maden-fauna overeenkomt met het aangenomen PMI, het post mortem interval, de tijd tussen het intreden van de dood en het vinden van het lijk. De entomologen kunnen het PMI van enige dagen bevestigen, maar wijzen de recherche er tevens op dat de maden-concentraties op borst, handpalmen en nek een duidelijke aanwijzing zijn voor perimortem trauma, oftewel: geweld. Het slachtoffer lag inmiddels al lang onder de zoden, maar op basis van het fotografisch onderzoek van de entomologen besloot de onderzoeksrechter het lijk op te laten graven. Nauwkeurig onderzoek van het skelet wees vervolgens op duidelijke steekwonden op de plaatsen waar zich de concentraties maden bevonden. De zaak kon direct door naar de afdeling homicide.

De wetenschap van de forensische entomologie (insectenkunde ten behoeve van rechtsvinding) behoort in de VS tot de standaard recherchemethodes. In ons land wordt dit type onderzoek pas sinds kort structureel toegepast. Een van de twee specialisten op dit terrein is dr. J. Krikken, wetenschappelijk directeur van het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden. Vanuit zijn langdurige fascinatie voor mest- en aaskevers en gestimuleerd door zijn vrouw die werkte als gemeentelijk lijkschouwer ontwikkelde hij zich tot forensisch entomoloog. Thans krijgt hij jaarlijks gemiddeld twee à drie zaken voorgeschoteld. Krikken: “De frequentie waarmee ik word geconsulteerd neemt toe. De entomologie wordt bekender en de technische recherche zoekt naar nieuwe technieken. Ik kan nu wel zeggen dat iedereen in het wereldje mij kent, mede ook dankzij mijn homepage op Internet.”

De tien zaken die Krikken tot nog toe heeft afgerond waren niet zo spectaculair als het voorbeeld uit de VS. Krikken: “In de regel gaat het alleen om het vaststellen van het PMI. Voor het rechercheonderzoek kan dat echter wel van eminent belang zijn. De meeste lijken zijn tussen de twee en drie weken oud. In die gevallen kunnen we het PMI vaak tot op de dag nauwkeurig vaststellen. Eén lijk dat ik onderzocht was een half jaar oud en inmiddels een skelet. Monsters van de bodem onder het lijk kunnen dan echter nog belangrijke informatie geven zoals de vaststelling of het lijk al die tijd op dezelfde plaats gelegen heeft.”

LIJKSCHOUWER

De procedure waarin Krikken wordt ingeschakeld begint met de constatering van de gemeentelijk lijkschouwer dat er sprake is van een onnatuurlijke dood. Vervolgens beslist de technische recherche of er entomologisch onderzoek moet plaatsvinden, al dan niet in samenwerking met het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie in Rijswijk dat zich vooral richt op de medische kanten van de lijkschouwing. Als er besloten wordt tot entomologisch onderzoek, werkt Krikken een vaste checklist af. De eerste stap is een nauwkeurige instructie aan de technische recherche over het aan te leveren insectenmateriaal, de laatste de vaststelling van het PMI en een al of niet 'autochtone lijkligging' (verplaatsing of niet). Verder zijn standaard in de 'entomologische procedure' de bemonstering van het lijk en de naaste omgeving, een analyse van de ecologische, geografische en meteorologische omstandigheden en een analyse in het laboratorium ter determinatie en telling van de soorten.

De 'sleutel' aan de hand waarvan de forensisch entomologen het PMI kunnen vaststellen is de 'fauna-successie' op het kadaver. Onderzoek heeft aangetoond dat bromvliegen een kadaver tot op een afstand van 60 kilometer kunnen ruiken. Het wekt dus geen verwondering dat een lijk reeds in de eerste uren na overlijden wordt bezocht. Vanaf dat moment verloopt de fauna-successie als een biologische klok die het PMI zeer nauwkeurig aangeeft.

De eerste bezoekers zijn meestal - vooral de temperatuur is hierbij van belang - verschillende soorten bromvliegen. In ons land zijn er van deze familie 80 soorten bekend. Ze leggen hun eitjes gedurende de eerste acht uur. De eclusie van het ei (de metamorfose naar larve) vindt plaats rond uur 16. Vanaf uur 17 ontstaat de larven-populatie die in drie tijdsintervals uiteenvalt: tot uur 32 verkeren de larven in ontwikkelingsstadium 1 (rond de 5 mm), tot uur 43 in stadium 2 (rond de 9 mm) en tot uur 77 in stadium 3 (tot 12 mm). Hierna ontwikkelt de larve zich tot prepupa. In deze fase kruipen de cocons vaak weg van het lijk tot een afstand van maximaal acht meter, zodat de entomologen ook bodemmonsters moeten nemen. Het prepupa-stadium duurt tot uur 157, waarna het overgaat in het pupa-stadium. Het verschil tussen een prepupa en een pupa ligt vooral in de kleur: de prepupa is geelbruin, de pupa bruin tot zwart. Het pupa-stadium duurt tot uur 300, het tijdstip waarop volgroeide vliegen ontstaan.

CASUS CLASSICUS

De geschetste ontwikkeling betreft alleen de bromvliegen, de belangrijkste PMI-indicatoren, zeker voor kadavers tot twee weken oud. Maar naast de vliegen spelen tal van andere insecten een rol. Grofweg wordt een lijk tot week 3 (oftewel, uur 500) tevens bezocht door kevers en wespen (die ook eitjes leggen) en door mijten en mieren. Keverlarven, spektorren en motten komen van week 2 tot week 4 voor, alsmede een parasitaire wesp. Na drie weken zijn het vooral de larven van de spektor en de tineïde rupsen die de entomologen op weg kunnen helpen. Al met al spelen zo'n 50 insectensoorten een rol in de forensische entomologie bij het bepalen van het PMI.

De casus classicus binnen de forensische entomologie om aan te tonen dat een PMI-vaststelling ver strekkende gevolgen kan hebben is die van de Hongaarse veerman uit 1977. Krikken: “Op een veerpont werd een lijk gevonden en de veerman werd veroordeeld. Na acht jaar kwam het autopsie-rapport onder ogen van een entomoloog die op grond van de aanwezigheid van larven-stadium-1 moest concluderen dat het lijk bij vondst minimaal 20 uur oud moest zijn. Terugtellend moest de moord gepleegd zijn op een tijdstip in de middag waarop de veerman niet in functie was. Sterker: hij had voor dat tijdstip een waterdicht alibi. De man werd direct in vrijheid gesteld.”

Een andere casus - weer uit Maryland - toont aan dat entomologisch onderzoek veel verder kan gaan dan alleen het vaststellen van het PMI. In dit geval was het zelfs beslissend voor het vaststellen van de identiteit van de overledene. In deze zaak ging het om een bijna volledig ontbonden kadaver met zwaar trauma in de schedel. In de grond onder het lijk werd een grote hoeveelheid pupa's aangetroffen die, zo bleek uit onderzoek, dikke zwarte bromvliegen moesten opleveren van de soort Phormia regina. De entomologen ontdekten echter dat op de plaats waar het lijk werd gevonden louter groene vliegen (Phaenicia sericata) voorkomen. Dit leidde tot de aanname dat de ontbinding van het lijk elders plaatsvond. Deze gedachte werd nog versterkt door het feit dat de Phormia regina zijn eitjes bij voorkeur in een schaduwrijke omgeving legt, terwijl het lijk in open ruimte lag. Mede op basis van deze gegevens kon de recherche vervolgens vaststellen dat het slachtoffer een prostituee was die haar diensten aanbood aan vrachtwagenchauffeurs langs de weg, niet ver van de plaats waar ze werd gevonden. “Het lijk heeft enige dagen in een truck gelegen totdat de geur van het lichaam in ontbinding de chauffeur het lichaam op de vindplaats deed deponeren”, aldus het politierapport. Krikken: “Bodemonderzoek, zoals plaatsvond in deze zaak, kan ook van belang zijn om vast te stellen of het lijk is versleept. De bodemfauna onder een lijk sterft namelijk bijna volledig uit en herstelt zich slechts langzaam. Als de bodemfauna onder een lijk van bijvoorbeeld twee weken oud niet uitgestorven blijkt, ligt het dus niet op de plaats waar de dood is ingetreden. Ook dit soort dingen kunnen voor de recherche van cruciaal belang zijn.”

HOBBYIST

Het werk van Krikken heeft qualitate qua zo z'n lugubere kantjes, maar dat belet hem niet ook nog een waar hobbyist te zijn. Hij tovert in zijn stemmige kamer in het Leids museum een stoffig boekje tevoorschijn uit 1894 met de titel La Faune des Cadavres. Krikken: “In wezen is er sinds die tijd weinig veranderd. Wel zijn de successie-periodes nu natuurlijk veel scherper vastgesteld.” Een oude Chinese legende toont volgens Krikken aan dat zijn wetenschap al duizenden jaren oud is. “Ergens staat het verhaal van een dorpeling die dood werd aangetroffen. Hij bleek te zijn vermoord met een sikkel. Hierop moesten alle bewoners hun sikkel inleveren en neerleggen op het dorpsplein. Op een sikkel gingen vliegen zitten en de eigenaar van die sikkel werd veroordeeld.”

Een nieuwe ontwikkeling in de forensische entomologie is het gebruik van de fauna voor de toxicologie van het lijk. Maden blijken in vergiftigde lijken concentratiepunten te zijn voor het gif. Ze kunnen dus aantonen of een lijk is vergiftigd en materiaal leveren om de specifieke gifsoort vast te stellen. Recent onderzoek door de FBI in de VS heeft zelfs aangetoond dat het DNA van een lijk beter kan worden gewonnen uit de maaginhoud van maden dan uit het lijk zelf. Krikken: “Recent is ook het entomologisch onderzoek beschreven op het lijk van een cocaïne-verslaafde. De insectenfauna bleek zich daarop aanzienlijk sneller te ontwikkelen dan op een gewoon lijk. De oorzaak is de cocaïne. Fascinerend, niet?”

    • Micha Kat