Bedrijf wist van onzuiverheid grondstof; 'Vos had alarm moeten slaan over glycerine'

ROTTERDAM, 2 AUG. Een functionaris van de Amerikaanse Food and Drugs Administration (FDA) heeft zich zeer verrast getoond dat Vos BV uit een laboratoriumtest wist dat de glycerine die in Haïti de dood van minstens zestig kinderen veroorzaakte, niet zuiver was.

Volgens de FDA-functionaris, die niet met naam genoemd wil worden, had Vos BV direct alarm moeten slaan. “Als Vos had gewaarschuwd, was de glycerine in Haïti niet gebruikt.” Hiervoor was voldoende gelegenheid gezien de tijd die het Nedlloyd-schip met de glycerine vanuit Amsterdam naar Haïti onderweg was.

Vos BV verwijst sinds het begin van de Haïti-affaire voor reacties steeds naar het Duitse moederbedrijf Helm AG in Hamburg. Helm AG wil inhoudelijk echter niet meer op de kwestie ingaan. In een fax liet bestuurslid Jörn Hinrichs weten te hebben ervaren dat “objectieve weergave” van de feiten via de pers niet mogelijk is.

Vorig jaar augustus spraken twee medewerkers van de Inspectie Gezondheidszorg met Vos BV. Volgens een woordvoerder van het ministerie van VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft Vos toen niets gezegd over een laboratoriumtest van de glycerine. “Medewerkers van Vos BV hebben de inspecteurs verklaard dat (...) een monster is getrokken. Dit monster is niet door een laboratorium geanalyseerd,” zo gaf Vos volgens de VWS-woordvoerder te kennen. Het monster zou volgens Vos slechts zijn genomen om als bewijs te dienen voor het geval na de transactie problemen met de cliënt zouden ontstaan. Bij Vos BV is het echter niet ongebruikelijk dat chemische en farmaceutische grondstoffen, zeker als ze uit 'verdachte' landen komen, in het laboratorium van SGS in Dordrecht worden onderzocht. De door Vos geleverde glycerine was uit China afkomstig, maar de FDA heeft de producent nog altijd niet kunnen achterhalen. De bevindingen van de Nederlandse inspecteurs zijn in het FDA-rapport over de zaak verwerkt. De FDA-medewerkster Ann Dimarco die vorig jaar juli in Alphen a/d Rijn was, kreeg daar van de directie van Vos BV, onder wie directeur E. Huisman, hetzelfde te horen als de Nederlandse inspecteurs. “Ze zeiden me dat ze een monster hadden laten nemen, maar dat het monster nooit was getest,” aldus Dimarco. Uit het FDA-onderzoek, dat al eerder naar buiten kwam, bleek dat Vos BV de 72 vaten glycerine liet opslaan in een gehuurde loods in de Rotterdamse haven. De glycerine was op 14 december 1994 met een Chinees vrachtschip in de haven van Rotterdam aangekomen. Uit een fax van Vos BV aan een Rotterdams opslagbedrijf, dat niet met naam genoemd wil worden, gedateerd 16 januari 1995, blijkt dat Vos verzocht een monster van 250 ml uit de partij glycerine te nemen. Dat was een maand voordat de glycerine via een papieren transactie aan het Duitse handelsbedrijf CTC werd doorverkocht. Het monster moest naar Alphen a/d Rijn worden opgestuurd. Een medewerker van het Rotterdamse opslagbedrijf verklaart dat Vos BV geregeld zulke opdrachten gaf. Op 21 februari 1995 gaf Vos opdracht aan SGS Laboratory Services het monster glycerine te onderzoeken, zo blijkt uit het analyserapport van het laboratorium. De vaten glycerine waren inmiddels vanuit Rotterdam per vrachtauto naar Amsterdam vervoerd om te worden overgeladen in een schip van Nedlloyd, dat op 25 februari naar Haïti vertrok. Op 2 maart 1995 stuurde SGS het rapport naar Alphen a/d Rijn, waaruit bleek dat de glycerine niet de vereiste zuiverheid had.

Volgens de Nederlandse advocaat E. van der Wolf, die met een Duitse collega namens het betrokken Haïtiaanse farmaceutische bedrijf Pharval en de ouders van overleden kinderen optreedt, kan de Nederlandse officier van justitie niet meer om een strafrechtelijk onderzoek heen. Met de nieuwe feiten is nu volgens Van der Wolf ook de reeds voorbereide civiele procedure tegen Vos BV en het Duitse moederbedrijf Helm AG “rond” te maken. Van der Wolf spreekt van “crimineel gedrag” van Vos.