Zomerlectuur

De mannen waaruit ik besta dronken grimmig hun borrel. “Luister”, zei een van hen ten slotte, “laten we dit in alle openheid vaststellen: wie buitenshuis in een rolstoel gaat zitten is op slag vele jaren ouder. Hij is de lift ingescharreld, de lift uitgescharreld, een paar treden afgestrompeld, heeft de laatste moeilijke stap van de buitenstoep gemaakt, draait zich om, laat zich op gezag van zijn vrouw zakken.

Hij zit. Minstens vijf jaar ouder. Of zeventig jaar jonger? Hij wordt gereden. Hij heeft niets meer te doen dan zomerlucht snuiven, zomergroen liefhebben, zomermensen bekijken. Wat zou hij zich zorgen maken? Het karretje is stevig, zijn vrouw is handig, en ze kent de weg. Heel bitter voor iemand die...''

“Helemaal niet bitter”, zei een tweede. “Een zomergenoegen, in wezen niet anders dan spelevaren met een matroos aan de roeiriemen of Jan Plezieren met een koetsier op de bok.”

“Hij heeft de lengte van een wandelend kind”, zei de eerste. “Hij ziet vooral de mooie deuren van de laan waaraan hij woont, de honden, de onderkant van passanten, de trottoirranden, de tegels, de straatstenen waarover het wagentje hobbelt. Hij is onmachtig, hij kan niet verantwoordelijk zijn. Hij suft weg, kinderlijk of kinds. Thuis waar hij naar keuze vijf jaar jonger of zeventig jaar ouder is liggen aangrijpende boeken. Wie is die oude vent in die rolstoel?”

“Hij rolt naar een bank in het park”, zei de tweede, “of naar een caféterras. Amsterdam Nieuw-Zuid, Amsterdam Oud-Zuid, het Vondelpark, het Beatrixpark, in die ruimten is het 's zomers rustig. Die ruimten suffen. Hij past zich aan. Suffen is een vermaak. Hij herinnert zich Italiaanse stadspleintjes tijdens de siësta, hij herinnert zich het luie klepperen van een parasolzeil op een Grieks haventerras, hij herinnert zich het luide geeuwen van oude mannen, zomaar zittend op een wrak stoeltje in een dorpsstraat op Kreta, in Frankrijk...”

“Onzin”, zei de eerste. “Literatuur. Hij herinnert zich helemaal niets. Hij zit daar als iemand die voorbij is.”

“Jongens”, zei een derde. “Ons probleem is niet de zomer maar de zomerlectuur. Vroeger reisden we wat af, in treinen en bussen, door Italië, Griekenland, Marokko, Spanje, Portugal, van de zee naar de bergen, van de bergen naar de zee, van wereldsteden naar gehuchten. In onze koffer de beste boeken. Die boeken waren ons thuis. Zonder die boeken waren we gek geworden van de verbijsterende indrukken en de malle avonturen. Naar die boeken konden we terugkeren. Aan Ulysses kun je in Rome beginnen en het uitlezen aan de rand van de Sahara. De beschrijving van die ene dag in Dublin, het constante op onze zwerftocht. Ik overdrijf en lieg nogal, merk ik, dat komt omdat we zoveel Louis-Ferdinand Céline lezen.”

“Juist”, zei de eerste. “De spijker op de kop. Wij hadden in Rome kunnen beginnen met Reis naar het einde van de nacht en aan de rand van de Sahara Dood op krediet hebben uitgelezen. Al dat gebrul en gebazel had ons wakker gehouden na te veel Vaticaan of medina van Marrakech. Laat ze maar razen en tieren in hun koortsdeliria! In de verbeeldingen van die afschuwelijke Céline hadden we kunnen schuilen! In uitroeptekens hadden wij kunnen lezen! Woede, drift, waanzin! Ook in ons! Razernij!”

“Kom nou”, zei de tweede. “Nooit in ons leven, nergens ter wereld zouden wij deze tekst hebben herkend: 'De ware haat komt diep uit je binnenste, uit je jeugd die je machteloos moest verknoeien met werken. Aan die haat ga je kapot. En die zal zo diep geworteld blijven dat er altijd wat van over blijft. Ze zal over de aarde kruipen en haar vergiftigen, zodat er niets meer zal groeien dan vuiligheid, tussen de doden en ook tussen de mensen.' Dat is uit Dood op krediet.”

“Wij zaten op een terras”, zei de derde, “en keken naar de mensen. Ik ben het met jullie eens, helaas, het deed ons niets. Niets prikkelde ons, niets amuseerde ons. We konden aannemen, op gezag van Céline, dat de mensen die wij zagen smeerlappen waren, gemeen, dom, geil, moordlustig, net als wijzelf. Een heel klein jongetje liep op wankele benen, vastberaden, stralend van ernst, een paar passen naar een boom waar zijn moeder hem had heengestuurd. Eerste passen, dachten wij, van een pooier, gifmoordenaar, fraudeur, kattenmepper, politicus. In het Vondelpark rolschaatsten lange jonge mensen, met kniebeschermers, snel over een asfaltweg, erg lelijk. Op een grasveld naast een vijver schudde een grote, zwarte, kletsnatte hond zich uit, ging liggen, blafte vervaarlijk naar een schoothondje dat helemaal aan de andere kant van het grasveld naast zijn bazin trippelde, aangelijnd, en terugkefte. Gore troep! De jongens op rolschaatsen verkrachtten schoothondjes, en hoeveel misdaden werden er gepleegd achter de mooie deuren van onze laan. Jongens, helaas, wij bleven zachtmoedig en neerslachtig, hoeveel werkelijkheid we ook fantaseerden. Céline deugt niet voor een Hollandse zomer in rolstoel.”

“Razernij!”, bulderde de eerste en schonk zich een borrel in. “Eén keer, na zo'n uitstapje ben ik in razernij ontstoken! Ik had een gedachte! Ik meende dat ik iets dacht! En weet je wat ik dacht? Ik dacht: mensen lijken allemaal op elkaar, al zijn ze verschillend van huidskleur. Katten lijken allemaal op elkaar, al dragen ze verschillende jassen. Honden lijken tenminste niet op elkaar. Die grote bouvier leek echt niet op dat schoothondje. Dat dacht ik! Zo erg is het met ons!”

“Poëzie, zei de tweede. “Misschien ervaren we bij terugdenken deze zomermaand als een van lijzige poëzie. Weet je nog dat we door de geurende lindenlaan werden gerold en zagen dat de bomen bezig waren te sterven. Dat zeggen we dan.”

    • Alfred Kossmann