We moeten kunnen genieten van hetzelfde boek; Levendig congres over Surinaamse literatuur in Paramaribo

Op het eerste congres over Surinaamse literatuur in Paramaribo blijkt de discussielust van de deelnemers groot. Een nationale literatuur schept eenheid, daar is men het over eens, maar er wonen weinig schrijvers in Suriname. En “het lijkt wel alsof de schrijvers die niet in Suriname wonen onmiddellijk worden geschrapt van het literaire tableau in Paramaribo”, vreest Frank Martinus Arion.

Op de tweebaansweg van vliegveld Zanderij naar Paramaribo, ter hoogte van het plaatsje Onverwacht, wordt onze terreinauto naar de kant gedirigeerd door een gemotoriseerde politie-agent. Een paar seconden later schiet een colonne voorbij, met in het midden een zwarte limousine. “Dat was het Hoofd van het directoraat Cultuur,” zegt mijn begeleidster Marieke Visser laconiek. “Hij zou een van de eregasten van ons literair congres zijn - ook al omdat hij een van de vooraanstaande dichters van Suriname is. Maar nu neemt hij het vliegtuig naar Cuba, als hoofd van een delegatie die daar een cultureel jeugdfestival bezoekt.”

De directeur Cultuur is niet de enige prominent die zal ontbreken op Schrijverschap 2000 - nationaal of internationaal, het eerste congres over Surinaamse literatuur dat in Paramaribo plaats vindt. Ook de toneelmaker Henk Tjon (in de jaren tachtig in Nederland bekend als mede-oprichter van theatergroep DNA) heeft zich op het laatste moment teruggetrokken. Uit protest, legt Visser uit, terwijl ze verder rijdt over de met plassen gevulde weg. “Henk Tjon vond dat we te veel sprekers uit Nederland en te weinig lokale Surinaamse schrijvers hadden uitgenodigd. Interessant, want vanuit Nederland kregen we juist kritiek dat we te weinig in Holland schrijvende Surinamers hadden gevraagd. Anil Ramdas en Astrid Roemer dachten ten onrechte dat we ze niet op het congres wilden hebben. Ik heb ze uitgelegd dat de voordrachtscommissie niet iedereen als spreker uit kon nodigen, maar dat ze natuurlijk welkom waren om mee te discussiëren. Astrid Roemer heeft gezegd dat ze de openingsavond zal bijwonen.”

Lange tenen en gouvernementele onverschilligheid zijn slechts enkele van de problemen waarmee een congresorganisator in 'Switi Sranan' (zoet Suriname) te maken krijgt. Marieke Visser, als coördinator van het vijf jaar oude Vrouwendocumentatiecentrum in Paramaribo een drijvende kracht achter Schrijverschap 2000, noemt verder de lauwe reacties van potentiële sponsors (“uiteindelijk komt bijna de helft van de begroting van 40.000 gulden van de Nederlandse ambassade”) en de gebrekkige communicatiemiddelen in een land dat in een permanente economische crisis verkeert. “Kopiëren is duur en niet in een handomdraai gedaan; voor elk wissewasje moet je kriskras door de stad. We hebben in de organisatie één iemand met e-mail, maar die heeft tijdenlang gekampt met een kapotte telefoon. En dan is er nog de Surinaamse bureaucratie: onhandig bij het sturen van officiële uitnodigingen, onmogelijk bij het faxen. Voor iedere afzonderlijke fax moet je eerst apart een bonnetje halen. Een persbericht sturen kost je een ochtend.”

Dakzwembad

Een dag later, op de persconferentie van Schrijverschap 2000 bij het dakzwembad van het jaren-vijftighotel Krasnapolsky, blijkt de moeite in ieder geval niet voor niets te zijn geweest. Een dozijn journalisten - van twee Surinaamse en drie Nederlandse kranten, van de nationale radio en televisie - zit klaar om voorgesteld te worden aan de sprekers op het congres, dat georganiseerd wordt ter gelegenheid van de bigi yari's (kroonjaren) van de schrijversgroep S'77 en het Johanna Elsenhout Vrouwendocumentatiecentrum, vernoemd naar de eerste vrouw die gedichten in de volkstaal Sranan-tongo publiceerde.

Voor de Nederlanders zijn er drie bekende gezichten: de Antilliaan Frank Martinus Arion, wiens klassieke roman Dubbelspel binnenkort bij de Engelse uitgeverij Faber & Faber uitkomt, de historische romancière Cynthia McLeod, die in Nederland (én in het dertig keer dunner bevolkte Suriname) meer dan tienduizend exemplaren van haar debuut Hoe duur was de suiker? verkocht, en de als 'éminence grise van de Surinaamse literatuur' aangeduide schrijver en essayist Hugo Pos. Voor de aanwezige Surinamers blijken de andere congresdeelnemers ten minste even beroemd: zo maakte de van oorsprong Brabantse criticus Michiel van Kempen in de jaren tachtig furore met zijn wekelijkse recensies in het Surinaamse dagblad De Ware Tijd, en kreeg de op Trinidad geboren literatuurwetenschapper Kenneth Ramchand tot in de uithoeken van het Caraïbisch gebied lof voor zijn boeken over de West-Indische romantraditie.

Geen van allen krijgt overigens de kans om veel te zeggen, want de persconferentie wordt gedomineerd door de voorzitter van de Schrijversgroep '77, F. Wols. Fanatiek pratend in afgebeten Nederlandse zinnen (“ik heb de taal geleerd bij de nonnetjes in Tilburg en uit de pockets met Karl May-vertalingen”) schetst hij de penibele situatie waarin de Surinaamse literatuur zich bevindt. “Op wat dichters en kinderboekauteurs na wonen er in Suriname nauwelijks actieve schrijvers,” zegt hij. “De schrijvers die er zijn, beheersen niet allemaal perfect Nederlands en schromen om hun moedertaal te gebruiken, of het nu het Sranan is of het Sarnami-Hindi. Velen vragen zich dan ook af of we ons niet het beste kunnen richten op het Caraïbisch gebied met zijn Engelstalige traditie. Dit congres zou zich moeten uitspreken over het streven naar een eenheidstaal. In een land als Suriname, met zijn vele verschillende etnische groepen, is dat van groot belang. Literatuur is natievormend, net zo goed als onze vlag of het Waaggebouw of het Fort Zeelandia. Wanneer we allemaal genieten van hetzelfde boek, hebben we elkaar gevonden.”

In zijn betoog, dat hij tijdens het congres nog herhaaldelijk dunnetjes zal overdoen, wijst Wols ook op andere dingen die het literaire leven fnuiken. Het onvermogen van Surinaamse schrijvers om kritiek te accepteren, bijvoorbeeld, en de daarmee samenhangende angst van de nieuwe literaire critici om harde oordelen te vellen. Of het gebrek aan uitgevers, die de promotie van je boeken ter hand kunnen nemen. En dan is er nog de slechte financiële situatie. Volgens Wols is iedere Surinaamse schrijver noodgedwongen een 'hosselaar'; hij moet zelf de straat op om zijn boeken aan de man te brengen - met weinig hoop op succes. Ook de leeslustigen hebben te lijden van de economische crisis, en alleen de rijksten onder hen kunnen vierduizend Surinaamse guldens (het equivalent van vier uitgebreide warme maaltijden) neertellen voor een geïmporteerde Poema- of Pandora-pocket.

Gala

Schrijvers hebben het moeilijk, en de enige echte boekhandel van Suriname, Vaco in de Domineestraat, is inderdaad schreeuwend duur en grillig gesorteerd (9100 gulden voor een oud boek van Joost Zwagerman, overigens niet De buitenvrouw; 9730 voor De laatste resten van tropisch Nederland van W.F. Hermans). Maar dat het literaire leven in Paramaribo allesbehalve kwijnend is, blijkt 's avonds bij de opening van Schrijverschap 2000. Meer dan tweehonderd bezoekers - schrijvers, belangstellenden en studenten van het Instituut voor de Opleiding van Leraren - hebben drie- tot vijfduizend 'Surinaams' betaald om de lezingen en uitvoeringen van het congres bij te wonen. De vrouwen onder hen, net als op de gemiddelde literaire avond in Nederland de meerderheid, zijn gekleed als voor een gala. Hun felgekleurde sari's (hindoestaanse sierkleden) en koto's (creoolse kostuums) veranderen de vóór aanvang nog troosteloze congresruimte in een sjieke feestzaal.

Schrijverschap 2000 wordt gehouden in Ons Erf, het cultureel centrum aan de rand van de binnenstad, niet ver van de splinternieuwe en goed beveiligde Nederlandse ambassade ('Fort Neerlandia'). Het is een vervallen betonnen blokkendoos, omwille van de ventilatie open aan de lange zijden, gelegen aan een vijvertje met schaduwrijke palmen en tamarindes. Rondom het gebouw zal op zaterdag en zondag de Boekenmarkt plaatsvinden, een groot woord voor een verzameling kraampjes met souvenirs, versnaperingen, evangelisatiemateriaal, informatie van cultureel-educatieve instellingen, strips en afgeschreven bibliotheekboeken. Op het met tropische bloemen versierde podium worden twee avonden en twee ochtenden lang lezingen afgewisseld met poëzievoordrachten (bijvoorbeeld van Shrinivasi en Slory, 'de Hooft en Vondel van de Surinaamse literatuur' volgens een van de sprekers), etnische muziek, en zelfs een traditionele 'kotomisi-show', die valt te omschrijven als een kruising tussen een modeshow en een amateurtoneelvoorstelling.

Na de officiële opening, door onder meer de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling en de vrouw van de Nederlandse ambassadeur, hangt het publiek aan de lippen van de 'keynote speakers' - zelfs al is men het merkbaar oneens met Wols' pleidooi voor het Engels als gemeenschappelijke schrijverstaal, en zelfs al snapt niet iedereen waar Frank Martinus Arion precies heen wil met zijn over-erudiete betoog over Aphra Behns Suriname-roman Oroonoko, or The Royal Slave (1678). Tot echte discussie komt het nog niet - een gemiste kans, want deze vrijdagavond blijkt later het enige moment dat Astrid Roemer op het congres aanwezig is. De schrijfster van Lijken op liefde, de in Nederland hooggeprezen roman over de verwerking van het recente verleden in Suriname, reageert niet wanneer Arion zich er publiekelijk over verbaast dat er nog steeds geen grote roman over de Bouterse-revolutie is geschreven, en vertrekt voor de avond goed en wel is afgelopen.

Babbellectuur

De volgende dagen komen de debatten los. De lezing van Michiel van Kempen, over de functie en de problemen van de literaire kritiek, maakt duidelijk dat velen in Suriname vinden dat een criticus niet te streng mag zijn omdat 'je anders al gauw het kleine vuurtje uitblaast'. Als om dat te onderstrepen memoreert een man uit het publiek dat Van Kempen tien jaar geleden Cynthia McLeods succesroman Hoe duur was de suiker? als 'babbellectuur' de grond inboorde, waarna hij zich afvraagt 'wat Van Kempen het recht geeft om zo neerbuigend te zijn over McLeod'.

Dat hij niet de enige is die vindt dat een bakra (blanke, Hollander) zich niet met de literatuur van de voormalige kolonie mag bemoeien, blijkt ook in de wandelgangen van het congres. Bij de stand van het Minov (ministerie van onderwijs en volksontwikkeling) foetert een vrouw over de te grote invloed van Nederlanders in de organisatie van het congres, waardoor haars inziens de verkeerde mensen zijn uitgenodigd en de toegangsprijzen te hoog zijn. En van mensen van de Nederlandse ambassade hoor ik dat vergelijkbare gevoelens er waarschijnlijk de oorzaak van zijn dat de Surinaamse overheid geen haast maakt met de jarenlang voorbereide toetreding tot de Nederlandse Taalunie, die op den duur bijvoorbeeld zou kunnen leiden tot de instelling van een faculteit Nederlands aan de Universiteit van Paramaribo.

Terug naar het podium, waar na Michiel van Kempen Cynthia McLeod (“men verwacht dat wij elkaar in de haren vliegen, daarom ben ik gisteren naar de kapper gegaan”) een lezing geeft over de heilzame effecten van historische bestsellers op het zelfbeeld van de natie Suriname. Ze krijgt veel bijval, vooral wanneer ze onderstreept dat ze als schrijfster eigenlijk niet beoordeeld wil worden met literair-stilistische maatstaven, maar alleen met historische. Critici moeten accepteren dat 'geromantiseerde geschiedschrijving' iets anders is dan een historische roman. “Ik zeg altijd: pindasoep is lekker en pom [een knol-, kip- en zoutvleesgerecht uit de creoolse keuken -PS] is ook lekker. Maar als je mensen pindasoep voorzet, moeten ze niet gaan klagen dat het geen pom is!”

Inspecteur Clouseau

Zo woedt het congres voort. Geen van de lezingen wordt door het naar literaire interactie hongerende publiek voor kennisgeving aangenomen - zelfs niet die van de onverstaanbare Frans-Guyaan, type Inspecteur Clouseau, die geacht wordt te praten over Guyaans nationalisme in de literatuur. De heldere voordracht van de Nederlandse taalwetenschapper Geert Koefoed, over nationalisme in de Surinaamse literatuur van de jaren zestig, leidt tot een debat over wenselijkheid van nationalisme in het werk van moderne Surinaamse schrijvers. De uiteenzetting van Kenneth Marchand over de autobiografie van de Bermudaanse negerslavin Mary Prince is voor sommige respondenten uit het publiek aanleiding om te betogen dat Surinaamse schrijvers zich meer moeten richten op de Caraïbische dan op de Nederlandse literaire traditie. En daartegen neemt de 83-jarige Hugo Pos dan weer stelling in zijn lezing. Volgens hem zal het Nederlands juist een belangrijker factor worden in de Surinaamse literatuur omdat bijna de helft van de Surinamers in Holland woont; de schrijftaal van de toekomstige schrijversgeneratie zal een soort Suri-Hollandse kunsttaal zijn, vergelijkbaar met het kunst-Vlaams van Hugo Claus.

Maar de belangwekkendste kwestie wordt aangeroerd door Frank Martinus Arion. Op de laatste ochtend van het congres betreurt hij het dat er nauwelijks is gepraat over de Surinaamse schrijvers in Nederland: Edgar Cairo bijvoorbeeld, of Astrid Roemer. Het lijkt wel, zegt hij, alsof de schrijvers die niet in Suriname wonen onmiddellijk worden geschrapt van het literaire tableau in Paramaribo. Is er niet sprake van een soort censuur?

Arions opmerking wordt, misschien bewust, verkeerd begrepen. In de discussie die volgt, gaat het alleen maar over de vraag of er in het Suriname van Bouterse (nu Adviseur van Staat) censuur heerst. De consensus is dat de censuur zich beperkte tot de donkere jaren '80-'87, de periode van het militair bewind, maar dat de voorzichtigheid er bij veel schrijvers zo diep ingebakken zit dat je zeker kunt spreken van zelfcensuur.

Een uur later licht Arion onder vier ogen zijn verdonkeremaande bijdrage aan het debat toe. Op het erf van het congrescentrum, leunend tegen een aftandse blauwe auto, herhaalt hij dat er zijns inziens in Suriname sprake is van ressentiment ten opzichte van de schrijvers die het literair in Nederland gemaakt hebben. “Dat is een traditie die al teruggaat op de revolutionaire dichter Dobru, die doodleuk van Albert Helman zei dat hij geen Surinaamse schrijver was. De literaire kopstukken in Paramaribo, en vooral de leden van de Schrijversgroep, moeten oppassen dat ze zich niet te streng opstellen tegen hun succesvolle collega's in Nederland. Zo top je telkens je eigen literatuur af.”

Stortbui

Het is zondagmiddag twee uur, aan het slot van een praktisch pauzeloze sessie die al sinds acht uur 's morgens aan de gang is. Terwijl een tropische stortbui neerkletst op Ons Erf, wordt gedebatteerd over de 'aanbevelingen' van de congrescommissie die uiteindelijk als conclusies in een bundel moeten worden gepubliceerd. De een na de andere sneuvelt, wegens overbodigheid ('Uitgevers moeten hun auteurs promoten') of onzinnigheid ('Zelfcensuur moet worden uitgebannen'). De controversiële aanbeveling van F. Wols om bij de overheid te pleiten voor Engels als verplichte taal in de vierde klas van de lagere school wordt hoofdelijk afgestemd. Tot slot is er een vrolijke noot. Bij het voorstel van de commissie om drie nieuwe literaire prijzen in te stellen (onder meer de Oroonoko-prijs voor literaire kritiek), merkt een van de congresgangers op dat het misschien beter is om eerst maar eens de bestaande prijzen over de periode '92-'96 toe te kennen. Zelfs de indieners van de aanbeveling moeten hard lachen.

Daarna gaat de vergadering uiteen. Bloempotten worden weggedragen, congresgangers wisselen adressen uit, en ik praat na met Ismene Krishnadath, een uitgeefster en kinderboekenschrijfster die als lid van S'77 een belangrijk aandeel heeft gehad in de organisatie van Schrijverschap 2000. In Nederlandse literaire kringen geniet ze enige bekendheid als de vrouw die vier jaar geleden, toen Nederland Schwerpunkt was op de Frankfurter Buchmesse, Jef Geeraerts en Hella Haasse tijdens een openbare paneldiscussie beschuldigde van racisme en seksisme. Als ik Krishnadath confronteer met de woorden van Frank Martinus Arion, en vraag of het voor het congres niet goed was geweest als ook Surinaamse schrijvers uit Nederland waren uitgenodigd, maakt ze duidelijk dat ze aan radicalisme niet heeft ingeboet.

“Dit congres was goed zoals het was. Waarom zouden we ons laten opschepen met iemand als Astrid Roemer, terwijl er zoveel andere schrijvers en wetenschappers zijn die de mensen hier graag willen horen? Anders dan schrijvers als Cynthia McLeod en Frank Martinus Arion is Astrid Roemer ook niet in een dialoog geïnteresseerd. Ze schrijft van alles over Suriname, maar ze komt hier zelden - en daar kijken we in Suriname raar tegenaan; je moet nu eenmaal regelmatig hier zijn om de mensen goed aan te voelen.”

Maar literatuur is toch in belangrijke mate een kwestie van verbeelding?

“Misschien, maar aan mij is dat idee niet besteed. Een tijdje geleden las ik nog een boek waar in Nederland iedereen mee wegliep, met zo'n bloem op de kaft, Connie Palmen ja, en toen viel me weer op hoe zweverig en zelfpsychologiserend en seksueel geobsedeerd de Nederlandse literatuur is. Ik vind dat literatuur over de maatschappij moet gaan, en ik ben blij dat de meeste Surinaamse schrijvers laten zien wat er echt in de samenleving speelt.”

Ismene Krishnadath neemt afscheid; ze moet naar een radiostudio om verslag te doen van de afgelopen drie dagen. Terwijl ze naar haar auto loopt, moet ik denken aan de e-mail die ze terugstuurde toen ik me twee maanden geleden aanmeldde voor Schrijverschap 2000. 'U zult tijdens het congres merken,' waarschuwde ze, 'dat er in Suriname andere literaire ideeën leven dan in Nederland.'