Voor het eerst zag Duitsland een SS-er lijden

Duitsland bereidt zich voor op de herdenking van de 'Duitse Herfst'. In september 1977 werd werkgeversvoorzitter Hanns Martin Schleyer door de RAF ontvoerd en vermoord. De schrijver Friedrich Christian Delius die drie romans over de episode publiceerde, maakt de balans op: de grote verliezer van twintig jaar geleden is democratisch links.

Vaak hoor je dat de Bondsrepubliek door de schokkende gebeurtenissen in de herfst van 1977 veranderd zou zijn, misschien zelfs geconsolideerd. Van de drie keerpunten in de naoorlogse geschiedenis - 1968, 1977, 1989 - is die in 1977 echter het moeilijkst te beoordelen. Nooit eerder heeft het thema van de RAF en zijn gevolgen zo'n hoogconjunctuur beleefd. Toch blijft er om 1977 een zwaar taboe hangen. Ik heb de indruk dat iedereen, betrokkenen en toeschouwers, slechts delen van de feiten ziet of wil zien. Alsof allen iets te verwerken hebben: de RAF-mensen, maar ook politici, politie, pers, justitie, degenen die de terreur steunden, het deel van links dat terreur afwees, de inlichtingendiensten (die nog altijd vele vragen onbeantwoord laten), en niet in de laatste plaats het merendeel van de bevolking met zijn 'Kop eraf!'-mentaliteit.

Schuldgevoel en verdringing zijn ongelijk verdeeld, maar wie ze ontkent, zal de Duitse Herfst nauwelijks begrijpen. Niet alleen Helmut Schmidt had het gevoel of hij midden in een klassiek drama was neergeplant. Wij, de toeschouwers, merkten dat onze passiviteit en angst ook bij het stuk hoorden. De herfst is de enige nationale gebeurtenis na 1945 waarvan geen West-Duitser die destijds volwassen was zou mogen zeggen: ik had er niets mee te maken, ik was onschuldig.

Ik wil geen misdaad verontschuldigen of relativeren. De afstand in de tijd maakt het echter mogelijk nu naar de dynamiek van de angst te kijken, een welhaast pathologisch en voor die tijd kenmerkend zoeken naar vijanden en geweld. Wat begon als agentje pesten, een voortzetting van acties tegen de autoriteiten, is met de bevrijding van Andreas Baader in 1970 uitgegroeid tot een politiek spektakel dat zich niet alleen meer tegen de staat, het imperialisme en alle burgerlijke krachten keerde. Uit een vrolijk anarchisme ontstond een oorlog, een avontuur van dodelijke ernst, tegen politie, politici,pers, justitie en kleinburgerlijke intellectuelen, die per verklaring in steeds onbehouwener termen werden afgeschilderd. “Veel vijand, veel eer” dat was de basis voor de mateloze hoogmoed van de groep die voor haar zelfbevestiging steeds meer vijanden nodig had naarmate haar acties minder politiek werden: wederrechtelijke toeëigening van zaken, het met geweld bevrijden van eigen mensen en het doodschieten van in de weg staande politiemensen. De enige politieke actie was het beschadigen van het gebouw in Heidelberg waar zich de computers voor het inzetten van Amerikaanse bommenwerpers in Vietnam bevonden.

Terwijl voor de daders de live Krimi de plaats innam van het politieke werk, kwam voor de politie, de inlichtingendiensten, de pers en de conservatieve partijen, de RAF als geroepen. De gigantische versterking van de politie, van het Bundeskriminalamt, het gebeurde volstrekt niet met tegenzin.

De RAF was nuttig. Nooit was het gemakkelijker geweest om alles wat jong en links was of naar het progressieve, het liberalisme en het socialisme zweemde, over één kam te scheren met terroristen. Aan de conservatieve en de rechterzijde brandde de begeerte naar een vijand. Zelfs de strijd om de voorwaarden voor arrestatie, isolering, hongerstakingen en procesvoering heeft zo onder het fanatisme van beide kanten geleden, dat tot de dag van vandaag zelfs deskundigen niet weten wie het meest gelogen, gedraaid, overdreven of gebagatelliseerd heeft. Al gauw was niemand meer in de dood van Ulrike Meinhof geïnteresseerd, hoewel deze met even veel raadselen omgeven is als die van Uwe Barschel.

De escalatie 1970 - 1972 - 1977 werd steeds heillozer doordat de RAF haar criminele potentieel ontkende en de andere partij haar slechts als een bende criminelen wenste te zien. Al het kwaad werd op de groep geprojecteerd en ook daarvoor moest ze boeten. Dat aan de verdachten geweigerd werd wat aan iedere nazimisdadiger was toegestaan, namelijk hun opvattingen en hun ontwikkeling verklaren en ter ontlasting aanvoeren, was niet alleen een straf voor hun beledigingen. Politie en justitie ontkenden hun overtredingen van het geldende recht zo lang mogelijk, terwijl de illegalen zich nog uitsluitend door de illegaliteit omsloten waanden. In hun paranoia waren de vijanden in elk geval eensgezind. Een soevereine democratie zou die paranoia zeker bespaard zijn gebleven.

De spiraal veroorzaakte een stroomversnelling in de terreur. De symbiotische verhouding tussen de beide partijen werd in alle kortheid geniaal uitgedrukt door de chef van het Bundeskriminalamt in zijn off the record uitspraak over Andreas Baader: “Ik hield van hem”. En van de kant van Baader zijn woorden van respect tegenover hem overgeleverd.

Het tegenovergestelde van symbiose is identiteit. De staat vond die door de beslissing van Helmut Schmidt om niet te wijken voor de chantage, en in de nacht van Mogadisjoe. De RAFleden Baader, Ensslin en Raspe vonden haar door van het toneel te verdwijnen - met medeweten van de geheime diensten. De ontvoerders van Schleyer vonden hun identiteit doordat ze zelf, in hun nederlaag, niets meer dan laaghartige moordenaars waren. De blikken van het slachtoffer, Schleyer, zijn een symbool gebleven. Mij vertellen ze: “Jullie zijn schuldig, jullie allemaal, maar ik ben het ook.”

Vaak is, terecht, beweerd dat de eerste, maar ook de tweede generatie van de RAF ageerde uit woede tegen de misdaden en de meeloperij van de vaders.Het was het hoofdmotief van de studentenbeweging: men wilde alles behalve fascisme. Iedere student wist hoezeer de oude nazi's hun stempel op de jonge Bondsrepubliek hadden gedrukt. Psychologische oorzaken, zoals het verzet tegen je vader, versterkten dit. Verontwaardiging over de politie, de noodwetten, het opportunisme tegenover de vernietigingsoorlog in Vietnam (tot 1975 3,6 miljoen doden) en de grove, autoritaire structuren waren een voedingsbodem voor het verwijt van fascisme. Nog omstreeks 1970 deden theoretici als André Glucksmann hun best om de toestanden in West-Europa als 'nieuw fascisme' te verkopen.

Ook de RAF wilde, zoveel is zeker, alles behalve fascisme. Maar wel met geweld. Aan deze val kon ze niet ontsnappen. Fascismehysterie werd met fascismehysterie beantwoord. Het trieste hoogtepunt leverde Ulrike Meinhof, die, nadat in 1972 Israelische sportlieden door een Palestijnse commandogroep waren vermoord, Israel, de enige democratie in het Nabije Oosten, dubbel hoonde door het land als een fascistische staat te bestempelen.

De daders van de RAF waren “de draad van de Duitse geschiedenis kwijtgeraakt”. Ze discussieerden niet, ze decreteerden. Hun bommen losten geen enkel probleem op, maar produceerden nieuwe. Zo vergaten ze dat het fascisme begint waar zinnen vallen als: “Wij zeggen dat smerissen varkens zijn en het is hoe dan ook fout met deze mensen te praten, en natuurlijk kan er geschoten worden.”

Het reduceren van de taal weerspiegelt het reduceren van de waarneming. “Het schietijzer spreekt.” Dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog, en tegen het einde van de Koude Oorlog, wederom dit even in-Duitse als chique verlangen naar oorlog. Tijdens het proces in Stammheim bereikte het zijn hoogtepunt in de wens van de beklaagden om als krijgsgevangenen te worden behandeld.

Wie de oorlog verklaarde, mocht er rekening mee houden dat zo'n oorlog binnen de staatsgrenzen alleen maar verloren kon worden. Ook het aan elkaar geven van namen uit Moby Dick, bijvoorbeeld Ahab aan Baader, geeft aanleiding tot de conclusie dat de RAF-leden zichzelf onbewust als zelfmoordkandidaten gezien hebben. Zoals het ook al geen goed deed dat ze met hun naam het Rode Leger van de Sovjet-Unie opriepen of de afkorting van de Royal Air Force leenden, die met zijn bommen de Tweede Wereldoorlog op beslissende wijze had bekort. Zelfs de naam verried de grootheidswaan van de groep. Alles wat ze deden werd op een verwrongen manier door de geschiedenis gemotiveerd. Tot welke ironie de geschiedenis in staat is, bleek in 1977, toen de RAF - voorlopig - overwonnen werd door de voormalige eerste en tweede luitenants in het crisisteam.

Het zou verkeerd zijn achteraf de demagogie van het blad Bild te bevestigen en de daders als 'kinderen van Hitler' in de hoek te zetten. We moeten met de publicist Walter Boehlich instemmen, die een essay schreef, onder de titel De kinderen van Schleyer. Hun centrale motief was de haat tegen vaders, tegen mannen als Schleyer die ondanks hun actieve deelname aan het nationaal-socialisme carrière maakten. Zelfs al was die haat een voorwendsel geweest, symbolisch effect had hij wel.

In 1977 bracht de film met de vlotte titel Hitler - eine Karriere van Joachim Fest 10 miljoen mark op. De Stern publiceerde vol trots de dagboeken van Goebbels en de nazimisdadiger Kappler werd met hulp van geestverwanten uit een gevangenis in Rome bevrijd, zonder dat dit in zijn vaderland veel beroering wekte. Hitler werd getoond in een vertwijfelde strijd voor het welzijn van het Reich, het misdadig verleden van Duitsland werd in milder licht gezien.

In deze situatie was de ontvoering van Hanns Martin Schleyer een dubbel politieke zaak. Niet alleen gold het devies van het crisisteam: aan het lijntje houden, niet zwichten voor druk, bevrijden, levens redden. In de media gold een nog minder hardop uitgesproken parool: het verleden van Schleyer niet vermelden of anders afzwakken, omdat ze de terroristen niet in de kaart mocht spelen.

De angst dat te veel waarheid alleen maar in het voordeel van de tegenstander kon werken, werd vermengd met de gebruikelijke onwil van de meeste Duitsers hun nazigeschiedenis te zien als de misdaad die ze was. Schleyer was per slot van rekening een zeer ijverige nazi geweest en nog SS-er ook, niet het onschuldige type. De samenhang in de Duitse geschiedenis was plotseling op de pijnlijkste wijze duidelijk: het voormalige lid van een criminele organisatie werd gevangen gehouden door leden van een nieuwe criminele organisatie. Het zichtbare lijden van de gegijzelde voorzitter van het werkgeversverbond was aangrijpend. Prikkelender nog was het idee dat de polaroidfoto's dubbel belicht leken. Het beeld erachter, waarover niet gesproken werd, was eigenlijke het grote schandaal van 1977: nooit eerder had men in Duitsland een SS-er zien lijden.

Hoewel door de gebeurtenissen van 1977 een aantal rechten beperkt werd, werd de democratie versterkt. Ondanks de moord op Schleyer ontwikkelde zich een nieuw staatsbesef, een zelfbewustzijn, dat niet alleen toe te schrijven is aan het succes van Mogadisjoe. De staatsvijanden hadden zich ontpopt als moordenaars of zelfmoordenaars, de staat als vriend en redder van mensen in nood. Zwijgen, verlamming, verstarring, daarna distantie en afzweren: gepijnigder en minder zelfbewust kon de houding van links of de buitenparlementaire oppositie in de herfst van 1977 niet zijn. Geïntimideerd door het massale speurwerk, de jacht op sympathisanten en 'sympathisanten', door domme verdachtmakingen bij iedere gedachte en handeling, verloren zij het laatste restje offensief elan. De RAF heeft links bijna alle kracht, spontaniteit en spraakvermogen gekost.

Het grote verzuim van de linkse critici van de terreur was dat zij de strijd die de RAF vanaf 1970 tegen hen voerde, te defensief tegemoettraden. Acties en geschriften van de RAF en hun principieel chanterende houding zijn weliswaar gekritiseerd en betreurd, maar te voorzichtig.

De afrekening kwam in de herfst van 1977. Liberaliteit, bereidheid tot hervormingen, sociaal handelen en denken verloren. Wie wil protesteren en veranderen moet sinds 1977 hogere drempels nemen. Wie inzet op zekerheid, ego, afbraak van solidariteit en dergelijke, heeft relatief vrij spel. Omdat deze waarden eerder in de CDU thuishoren, moest het in 1982, zeer kort gezegd, wel tot een regeringswisseling komen.

Deze ontwikkeling is natuurlijk niet uitsluitend 'de verdienste' van de RAF. Maar twintig jaar later zou men niet meer zo kleingeestig moeten zijn de bijdrage te onderschatten die de zoon van de historicus Baader ongewild aan de Duitse geschiedenis en de modernisering van Duitsland heeft geleverd.

De invloed van het terrorisme is enorm geweest, al was het anders dan gepland: het blies het systeem niet op, zoals dat werd genoemd, het hield het systeem in stand. “Wij huiveren voor het gezicht van het terrorisme. Maar we zouden vaker in de spiegel moeten kijken,” aldus bondspresident Walter Scheel tijdens de rouwplechtigheid voor Hanns Martin Schleyer. Dat was twintig jaar geleden bijna cynisch duidelijk uitgedrukt. Er hangen nog altijd genoeg spiegels aan de wand.