Vertaling van Muñoz Molina; De waarheid van elementair fatsoen

Antonio Muñoz Molina: Strijdlust. Vertaald uit het Spaans door Ester van Buuren. De Geus, 319 blz. ƒ 49,90

Antonio Muñoz Molina debuteerde in 1986 als romancier, schreef tot nu toe vijf belangrijke romans en evenzovele gelegenheidswerkjes. Hij publiceerde drie bundels met journalistieke artikelen, is een spraakmakend columnist in het Spaanse dagblad El País en werd in 1996 op zijn veertigste het jongste lid van de Spaanse Koninklijke Academie. Dat is een duizelingwekkende carrière, waaraan ook nog een groot aantal literaire prijzen en een uiterst succesvolle verkoop van zijn voornaamste titels moeten worden toegevoegd. Dat maakt Muñoz Molina in eigen land momenteel tot het belangrijkste boegbeeld van de Spaanse literatuur - meer dan de in het buitenland bekendere maar intellectueel-afstandelijkere Javier Marías, en meer dan Arturo Pérez Reverte, wiens charmante avonturenromans misschien nog hogere oplagen halen, maar wie het aan intellectuele diepgang ontbreekt.

Muñoz Molina dankt zijn succes allereerst aan een combinatie van vertellersinstinct, waarvan hij al in zijn (helaas nog altijd niet vertaalde) debuutroman Beatus Ille getuigenis aflegde, en een solide verworteling daarvan in de traditie van de grote literaire voorbeelden van deze eeuw, van William Faulkner tot de detectiveroman. De tweede leerde hij zichzelf, vooral in de vroege romans die hij zelf bescheiden als literaire vingeroefeningen aanduidt: de melancholieke quasi-speurdersroman Winter in Lissabon (1987) en de grimmiger spionage-thriller Prins der duisternis (1989). Het eerste erfde hij vermoedelijk van de deels nog analfabete Andalusische familie waaruit hij voortkwam en die hij in zijn verkapt autobiografische roman Ruiter in de storm (1991) liefdevol beschreef.

Het andere geheim van zijn succes heeft met die afkomst veel te maken en toont zich openhartig in de 'militaire memoires' die hij twee jaar geleden publiceerde en die nu onder de titel Strijdlust in het Nederlands is uitgekomen. Het is het vierde boek van Muñoz Molina dat werd vertaald en verschilt van de drie eerder genoemde doordat het niet langer een roman wil zijn, maar een boek waarin de schrijver onverholen als persoon aan het woord is. Het bevat de herinneringen aan de veertien maanden van militaire dienst die Muñoz Molina in 1979-1980 vervulde in een leger dat formeel al niet meer onder Franco diende, maar waar het democratisch besef nog ver te zoeken was.

Die herinneringen bieden Muñoz Molina ruime gelegenheid tot overpeinzingen over het menselijk verkeer in zulke extreme omstandigheden als het leven in een kazerne vol dienstplichtigen nu eenmaal is, en in het verlengde daarvan over de menselijke deugden en ondeugden in het algemeen. Het is niet in de laatste plaats zijn eigen gedrag dat het daarbij moet ontgelden. Niet volstrekt karakterloos maar zeer zeker ook niet erg beginselvast, niet van gevoel van fatsoen verstoken maar tegelijk ook maar al te vatbaar voor het automatisme van de omgeving en de subtiele dwang van het conformisme, tekent Muñoz Molina zichzelf als een (behalve in zijn ontluikende literaire gaven) door en door middelmatige figuur. Hij is een schoolvoorbeeld van de aanpassingsbereidheid, plantrekkerij en halfslachtigheid die nu eenmaal in vrijwel ieder van ons heersen, mits de grenzen van het aanvaardbare niet al te grof worden overschreden.

Zo schrijft hij over zijn politieke scepsis van die tijd: '[Zij] was niet het gevolg van een scherp inzicht dat ik nu niet met terugwerkende kracht aan mezelf kan toeschrijven, maar veeleer van mijn gebrek aan een gedisciplineerde, solide wilskracht om me op een doel of een ideologie te storten, en van een persoonlijke neiging tot afkeer van en onverschilligheid jegens collectief enthousiasme'.

Die politieke scepsis toont Muñoz Molina nog altijd in zijn columns (en ook in dit boek), en ze is ongetwijfeld veel beter overwogen dan ze in zijn recrutentijd was. Maar ze lijkt nog steeds te wortelen in een wantrouwen jegens elke zichzelf proclamerende zekerheid, vooral wanneer ze de waarheid in een extreme uithoek zoekt. De waarheid van Muñoz Molina ligt altijd ergens in het midden (zij het niet precies in het midden) en heeft veel te maken met gezond verstand en elementair fatsoen.

Dat zijn burgerlijke, misschien zelfs kleinburgerlijke, waarden en die staan in de literauur niet hoog in aanzien. Er is dan ook een schrijftalent als dat van Muñoz Molina voor nodig om ze niet in snotterige gemeenplaatsen te laten verzinken. Bij hem krijgen ze een elan dat de in de literauur zoveel gangbaarder thema's als wreedheid, walging, immoraliteit of perversie - niet alleen als beschreven maar ook als beleden waarden - louter wegens het excentrieke ervan vaak al uit zichzelf hebben. Dat een dergelijk humanisme literair vorm kan krijgen en zelfs opwindend kan worden, omdat het verweven ligt in zulke weergaloos geschreven boeken, is ongetwijfeld de tweede reden van Muñoz Molina's succes. Daarvan lijkt hij zichzelf overigens maar al te goed bewust. Van alle kanten gelauwerd en gefortuneerd als hij inmiddels is, wil zijn betoonde eenvoud van afkomst en van hart in zijn journalistieke stukjes nog wel eens iets van een pose krijgen.

In Strijdlust is daarvan geen sprake. Het boek is meeslepend, soms ontroerend, vaak onweerstaanbaar grappig en door en door eerlijk. Muñoz Molina beschrijft er niet alleen de volstrekt irreële en vaak absurde wereld van het kazerneleven in, maar observeert ook met grote opmerkzaamheid en intelligentie het gemak waarmee mensen zich daarnaar plooien. De oprechtheid waarmee hij laat zien hoe vrijwel iedereen uit zijn lichting, hijzelf niet uitgezonderd, binnen enkele uren na het aantreden de eigen persoonlijkheid al heeft ingeruild voor een collectief type dat uit louter angst en intimidatie bereid is tot de meest vernederende handelingen, is tegelijk indrukwekkend en beklemmend.

Erger nog dan de reductie van het 'ik' tot die van 'een militair' die zelfs zijn naam (Muñoz Molina) ziet ingeruild voor een nummer (J-54), is de laffe aanpassing van de eigen wil aan die van 'de groep', die gemakkelijk het slechtste in een mens naar boven haalt. De nuchterheid waarmee het boek laat zien dat daar de onmenselijkheid pas werkelijk en tegelijk bijna terloops begint, maakt het tot verplichte literatuur voor ieder die mocht geloven dat de fascistische verleiding op hem in ieder geval geen vat heeft.

Muñoz Molina had het ongeluk te worden ingedeeld bij een eenheid die gelegerd was in San Sebastián in Spaans Baskenland, in een periode waarin de ETA-terreur nog almachtiger was dan nu. In die jaren, waarin de democratie nog allerminst zeker was en leger en politie nog grotendeels deden alsof Franco nooit was overleden, werd de ETA nog door een groot gedeelte van de bevolking moreel en soms actief gesteund.

In het boek merkt men hoogstens zijdelings iets van de 'strafexpedities' die door onverholen fascistische onderofficieren en soldaten vanuit de kazerne - die enkele jaren later een sleutelrol zou vervullen in de geheime contra-terreur van de GAL - werden ondernomen. Dat was, schrijft Muñoz Molina, een zaak van de extremisten die, althans onder de diensplichtigen, een kleine minderheid vormden. De nachtelijke operaties in auto's zonder nummerborden bleven niet verborgen, zoals ook de blauwe plekken die sommigen daarbij opliepen onder de douche moeilijk konden worden verdoezeld. Maar niemand haalde het in zijn hoofd er vragen over te stellen. De diensttijd was, ook zonder het verzwaard arrest dat altijd op de loer lag, al lang en onaangenaam genoeg.

Meer merkte hij van de angst van de meeste militairen voor een aanslag en van het volstrekte sociale isolement waarin de beroepsofficieren het ogenblik verbeidden waarop ze naar veiliger en aangenamer oorden zouden worden overgeplaatst. Innemend en bewogen tekent hij de figuur van zijn directe chef op het kantoor waar hij tot zijn innig geluk tot 'soldaat-schrijver' wordt benoemd: sergeant-majoor Peláez, wiens aandoenlijke gewichtigdoenerij binnen de kazerne plaats maakt voor duizend angsten zodra hij de poort verlaat. Wanneer de 'soldaat-schrijver' na een paar maanden door hem te eten wordt uitgenodigd, treft hij in zijn flatje een hartelijke vrouw aan die met haar levenslust geen raad weet omdat niemand mag weten dat ze 'van elders' zijn en die daarom al jarenlang geen woord met de buren durft te wisselen.

Net zo mooi, zij het minder wrang, is zijn portret van zijn communistische mede-dienstplichtige Pepe Rifón, die in alles zijn tegendeel is. Hij bezit een onwankelbare en volledig uitgewerkte politieke overtuiging, is vastbesloten in zijn verzet tegen de bestaande orde en vertoont een persoonlijke robuustheid waarnaast de kneedbare Muñoz Molina des te onvolwassener afsteekt. Wat hen bindt in de liefde voor de discussie en voor de roesmiddelen die in die jaren onverbrekelijk samengingen met alles wat links was: hasj, marihuana en Cuba-libres.

Aan Rifón wijdt Muñoz Molina enkele van zijn mooiste politieke overpeinzingen, vol bewondering voor diens uitzonderlijke rijpheid, maar ook met grote reserves tegenover diens zekerheden, die toen even bekoorlijk waren als ze achteraf funest blijken te zijn geweest. Wat Muñoz Molina betreft geldt dat voor het grootste deel van de tegencultuur van de jaren zeventig, die hem, zo bekent hij, met haar libertijnse hang naar een groots en gevaarlijk leven, meer angst inboezemde dan aantrok. 'Ik ben', zo schrijft hij, 'nooit een liefhebber geworden van undergroundtrips of van de Sex Pistols of van het doctrinarisme van seksuele promiscuïteit, dat tegen het einde van de jaren zeventig verschrikkelijk had huisgehouden in mijn dorp.' Zo herinnert hij zich 'een goochemerd die pas uit Barcelona was gearriveerd [en die] een paar maanden lang met wie hij maar wilde naar bed ging, met als enige verdienste en drogreden de revolutionaire principes van Wilhelm Reich te verkondigen als het evangelie'.

Hoezeer dat ook naar ressentiment mag klinken, Muñoz Molina denkt nu eerder met een opgeluchte dankbaarheid terug aan die 'lafhartigheid', waaronder hij zelf zo heftig geleden heeft maar die schrijft hij - achteraf gezien in een 'gezond overlevingsinstinct' wortelde. Meer dan alleen een hilarisch verslag van een jaar militaire dienst of de 'vurige roman tegen intolerantie' die de Nederlandse uitgave op de achterflap er van maakt, is Strijdlust daarmee een verdediging geworden van deze banaliteit van het fatsoen, waarvan een leefbare wereld het uiteindelijk hebben moet. Dat zo'n weinig militant en bezadigd inzicht zo'n fascinerend en indrukwekkend boek heeft kunnen opleveren, is het beste bewijs voor het meesterschap van de man die ooit J-54 was.