Verhalen over machines; Toen de techniek nog betoverde

De fantastische machine. De machine in haar literaire vermomming. Vertaling en nawoord Liesbeth van Nes. Perdu. 179 blz. ƒ 35,-

Hoewel bijna iedere schrijver tegenwoordig gebruik maakt van een computer, spelen computers buiten de science fiction nauwelijks een literaire rol van betekenis. Binnen de recente Nederlandse literatuur schiet mij alleen De man achter het raam te binnen, Gerrit Krols roman over een computer die ernaar streeft mens te worden. De meeste hoofdpersonen van Krols collega's hoeven daar niet naar te streven, want zij zijn al als mens geboren en in de romans die over hen worden geschreven komen hun gedachten, gevoelens, herinneringen en problemen uitputtend aan de orde. Literatuur gaat vrijwel altijd over mensen en zelden over machines.

Dat lijkt een open deur, maar in het verleden, toen de literaire arbeidsdeling waaraan we de science fiction danken nog moest worden uitgevonden, kon het ook anders zijn, zoals blijkt uit de alleraardigste bundel De fantastische machine, samengesteld door Liesbeth van Nes. Zij heeft uit de Franse literatuur van rond 1900 een tiental korte verhalen bijeengebracht en vertaald, waarin een machine de hoofdrol speelt. Verhalen bovendien van schrijvers die nu zonder moeite (al zijn ze niet allen even beroemd) tot de literatuur worden gerekend.

Wel blijkt dat de definitie van de machine behoorlijk ruim is genomen. Het gaat om fantastische, dat wil zeggen imaginaire machines, maar soms kan er slechts in figuurlijke zin van een machine worden gesproken. Bijvoorbeeld bij Remy de Gourmont, een nu helaas wat in de vergetelheid geraakte symbolistische romancier en essayist met een grote belangstelling voor de wetenschap en filosofie van zijn tijd. In zijn verhaal 'De automaat' wordt met die automaat namelijk de mens zelf bedoeld. Niet dat de mens voor hem (als een cyborg avant la lettre) van binnen uit tandwielen en radertjes bestond; een 'automaat' was de mens slechts omdat hij het merendeel van zijn handelingen zonder bewustzijn verrichtte. Zelfs de kunst kwam automatisch, uit het 'onderbewuste', tot stand, betoogde Gourmont in het essay 'La création subconsciente', opgenomen in La culture des idées uit 1900.

Voor Gourmont had het 'automatische' karakter van de mens (net als voor zijn achttiende-eeuwse voorganger La Mettrie, de schrijver van het beruchte L'homme machine, geen negatieve bijbetekenis. Dat het met zijn hoofdpersoon toch nog fout loopt (hij steekt zijn geliefde neer, om vervolgens te constateren: 'De automaat bloedt'), komt alleen doordat deze zo onverstandig is geweest een wetenschappelijke theorie strikt letterlijk te nemen. Sommige andere auteurs in de bundel bezien de wonderen van wetenschap en techniek daarentegen met aanzienlijk minder welwillendheid en zij gebruiken de fantasie om hun scepsis of afkeer te benadrukken.

Bij Marcel Schwob en Auguste Villiers de l'Isle Adam klinkt nog altijd iets van het romantische protest tegen de gemechaniseerde wereld van de moderne natuurwetenschap. Zo voert Schwob een monsterlijke 'spraakmachine' ten tonele, die weinig goeds belooft: ...'een reusachtige, slaphangende keel met spikkels en diepzwarte huidplooien, die nu eens opzwollen en dan weer inzakten...' En inderdaad: wanneer de uitvinder in het verhaal zijn machine de blasfemische woorden 'Ik heb het woord geschapen' wil laten uitspreken, mislukt dat jammerlijk en hijzelf blijkt opeens zijn stem te zijn kwijtgeraakt. De privileges van de Schepper eigent de mens zich niet ongestraft toe, zo luidt de klassieke maar gelukkig onuitgesproken moraal.

Villiers op zijn beurt beperkt zich tot de satire. In het verhaal 'Affiches tegen de hemel' schrijft hij quasi-geestdriftig over een plan om reclameboodschappen op de hemel te projecteren, zodat het firmament eindelijk eens 'winstgevend' zal worden. In 'De Roem-machine' beschrijft hij, eveneens met geveinsd enthousiasme, een omvangrijk apparaat dat langs mechanische weg bij de toeschouwers het succes van een toneelstuk kan afdwingen. Verder neemt het de critici het werk uit handen en kan het, blijkens een noot, ook worden aangepast aan de Chambre des Députés. Wie weet hoe negatief Villiers dacht over de democratische politiek van tijd en hoe onsuccesvol hij was als toneelschrijver, begrijpt hoe de ironie van dit verhaal dient te worden geïnterpreteerd.

Nog de minste bijbedoelingen lijken aanwezig in de twee verhalen van Maurice Renard, zelf een ingenieur met enkele uitvindingen op zijn naam, die hier literair varieert op de destijds zelfs als kermisattractie geëxploiteerde Röntgenstralen. Met de uitvindingen van zijn hoofdpersoon Bouvancourt is het in het ene verhaal mogelijk dankzij een bijzonder gas tot de 'tijdelijke ruimte' aan gene zijde van het spiegelbeeld door te dringen, terwijl in het andere verhaal het menselijk lichaam zich dankzij een mysterieus 'Y-licht' dusdanig laat 'subtiliseren' dat het elke materiële weerstand weet te overwinnen.

Hoewel enige huiver om deze uitvindingen niet ontbreekt (Bouvancourt verdrinkt tijdens een van zijn experimenten en een door hem volledig 'gesubtiliseerde' schurk verdwijnt in het binnenste van de aardbol), ontlenen Renards verhalen hun charme vooral aan hun eigen wonderbaarlijkheid. De machine en zijn effecten staan niet in dienst van de een of andere moraal, maar verwijzen in de eerste plaats naar zichzelf, als geslaagde voortbrengselen van de literaire en wetenschappelijke verbeelding. Als zodanig ondersteunen ze, beter dan sommige andere verhalen in De fantastische machine, de stelling die Liesbeth van Nes in haar nawoord poneert.

De imaginaire machines van deze bundel brengt zij daar in verband met de tijdmachine, die beschreven staat in de enkele jaren terug door haar vertaalde roman Gestes et opinions du Docteur Faustroll, Pataphysicien (1911) van Alfred Jarry. Volgens Van Nes kunnen Jarry's patafysica en deze fantastische machines worden gezien als een van de punten waarop de realistische roman van de negentiende eeuw plaats maakt voor het veel meer op de vrije verbeelding gerichte schrijven van Apollinaire (van wie ook een verhaal is opgenomen, zij het vreemd genoeg zonder machine) en van de surrealisten.

De stelling wordt zo bescheiden en behoedzaam geformuleerd, dat het moeilijk valt er niet mee in te stemmen. Toch zou ik, omdat het hier fantastische machines betreft, boven de surrealisten de voorkeur geven aan de futuristen, die zich veel meer dan Breton en diens aanhang hebben ingespannen om de moderne techniek en haar voortbrengselen te esthetiseren en van een irrationele luister te voorzien. Geheel in de trant van Jarry's groteske fantasie was het ideaal van Marinetti en de zijnen de schepping van de 'mechanische mens met de verwisselbare onderdelen', zoals te lezen staat in het Technisch manifest van de futuristische literatuur uit 1912.

Zo geformuleerd klinkt het nogal potsierlijk, hoe serieus gemeend ook, totdat je je realiseert dat dit futuristische ideaal tegenwoordig al lang werkelijkheid is geworden - als de automobilist die na een verkeersongeval via orgaantransplantatie het leven wordt gered.

Deze werkelijkheid geeft de verbeelding van het vorige fin-de-siècle onwillekeurig iets naïefs en maakt dat we er niet echt meer van opkijken, tenzij met een meewarige blik. Zo gaat dat met de wonderbaarlijkheden van het verleden, die nadien gewoon zijn geworden. Maar of dit enkel een kwestie is van vooruitgang blijft de vraag, want de geringe aandacht van de meeste literatuur voor de imaginaire potentie van de huidige wetenschap en techniek suggereert dat we evenmin opkijken van het wonderbaarlijke dat ons in het heden omringt.