Twee studies over Jezus; Lam Gods en belastingrebel

Charles Vergeer: Een nameloze. Jezus de Nazarener. SUN, 312 blz. ƒ 39,50

Peter J. Tomson: 'Als dit uit de Hemel is'. Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het Jodendom. B. Folkertsma Stichting voor Talmudica/Boekencentrum, 414 blz. ƒ 45,-

De evangelies over Jezus Christus zitten vol merkwaardige elementen. Neem de arrestatie op de Olijfberg zoals die in alle vier evangelies wordt beschreven. Na de herkenning door de verrader Judas trekt een van Jezus' metgezellen een zwaard en hakt een dienstknecht van de hogepriesters een oor af. Bij liefhebbers van barokmuziek is deze wending bekend als het 'Und hieb ihm ein Ohr ab! pam-pom' uit Bachs passiemuziek. Verbazingwekkend is de houw niet, want volgens Lukas had Jezus voorafgaand aan het laatste avondmaal gecontroleerd of zijn discipelen wel genoeg zwaarden bij zich hadden. Wèl vreemd is dat Jezus na de oorafslag zijn arresteerders het verwijt maakt: 'Alsof ik een bandiet ben, zo bent u met zwaarden en knuppels op mij afgekomen om mij in handen te krijgen.' Een schijnheilig verwijt, want de gewapende overmacht was normaal politiebeleid: bij zijn aanhouding op de Olijfberg werd Jezus als een zwaardgevaarlijke verdachte beschouwd. Dat Jezus, volgens Lukas, het oor onmiddellijk weer aanzette, doet daar niets aan af.

Zo zijn er veel curiositeiten en tegenstrijdigheden. Wat te denken van de geheimzinnige operatie voorafgaande aan het laatste avondmaal, als de discipelen een man met een kruik water moeten zoeken die zal wijzen waar het eetzaaltje is? Of van zijn chagrijnige antwoord aan de Kanaänese vrouw met het zieke dochtertje? Veel passages die in strijd zijn met het beeld van de vleesgeworden Zoon van God, zijn door tweeduizend jaar christelijke theologie zo goed mogelijk gladgestreken, maar ze blijven een oplettende lezer opvallen. Dat is het voordeel van een heilige tekst: eenmaal canoniek verklaard, wordt er geen letter meer in veranderd. Vreemde segmenten blijven bewaard, soms eenvoudig genegeerd, soms juist eindeloos becommentarieerd. Vroeger ging men nu eenmaal heel wat eerbiediger met teksten om dan nu. Een stuk eens flink 'door de machine halen' was er nog niet bij.

Detectiveroman

In zijn deconstructie van het Markusevangelie: Een nameloze. Jezus de Nazarener pluist de filosoof Charles Vergeer nauwkeurig al deze tegenstrijdigheden, toevoegingen en latere bewerkingen uit elkaar. Een nameloze leest daarom als een spannende detectiveroman - in de vorm van een geschiedkundige en filologische exegese van een van de kerndocumenten van de westerse cultuur. Het Markusevangelie is waarschijnlijk kort na het jaar 70 geschreven op basis van oudere mondelinge en schriftelijke bronnen, voor niet-joodse christenen in Rome - en dat heeft tot gevolg gehad dat het verhaal van Jezus ontdaan moest worden van de anti-Romeinse elementen. Het resultaat is een tekst met drie, vier of misschien wel meer lagen: een goudmijn dus voor de tekstuele archeoloog.

Het Jezus-geloof was zeker in de eerste decennia van haar bestaan een volkomen onderdeel van het jodendom. In de christelijke mythologie wordt vaak vergeten dat dat jodendom juist toen, in de eerste eeuw, in een zeer creatieve en gevaarlijke gisting was geraakt. Het politiek-militair dieptepunt van die ontwikkeling ligt in het jaar 70 AD, toen Jeruzalem met tempel en al - het centrum van het geloof in JHWH - door de Romeinen werd verwoest. Het was het slot van een bloedige 'Joodse Oorlog' van enkele jaren, en bijna een eeuw van kleine en grotere joodse opstanden. De machtige joodse priesterklasse, de koningen en de vele apocalyptische sekten, waaronder de essenen en de zeloten, zijn in de bloedige strijd zo goed als van de aardbodem verdwenen. Behalve de christenen zijn uit het toenmalige jodendom alleen de farizeërs, de latere rabbijnen, overgebleven. Zij hebben dan ook tot op de dag van vandaag het niet-christelijke deel van het joodse erfgoed beheerst.

Volgens Vergeer was Jezus één van de vele joodse opstandelingenleiders die in die chaotische eeuw door de Romeinen werden terechtgesteld. In zijn exegese van Markus geeft de schrijver veel aannemelijke redenen voor die opvatting. Vergeers deconstructie van het verhaal van de 'intocht in Jeruzalem' op palmzondag is bijvoorbeeld meesterlijk, met de aanslag op de tempel door deze 'zoon van koning David' en het vreemde gat van twee dagen in Markus' verhaal van de 'stille week', waarin zich de werkelijke strijd om Jeruzalem moet hebben afgespeeld. De vlucht naar en de arrestatie op de olijfberg is in deze lezing het gevolg van het mislukken van een tweede opstandspoging op donderdag. Enzovoorts.

Vreemde zaak

Een juichende biografie van deze Jezus, geschreven te Rome in 71 - wanneer de Romeinse legioenen met de buitgemaakte joodse tempelschatten in triomf door de stad paraderen - is daarom een vreemde zaak. Vergeer vraagt zich af of zoiets niet is te vergelijken met 'de publicatie van een Vita Martini Lutheri in Rome in 1528, of van een Life and Times of Joseph Goebbels in Londen in 1946?' Zijn antwoord op het raadsel is dat de Jezus van Markus een heel andere persoon is dan de historische figuur. Markus' held is de Jezus zoals we die kennen uit de interpretatie van de apostel Paulus: losgeweekt uit de joodse religieus-nationalistische context en verhoogd van mensenzoon tot zoon van God, van een fanatieke rabbi uit Kafarnaüm tot Salvator Mundi.

Neem bijvoorbeeld de beschrijving door Markus van Jezus' kruisdood, het onderwerp waarmee Vergeers boek begint. Waarom staat er onder het kruis eigenlijk een Romeinse centurion die na de laatste adem en het scheuren van de voorhang van de Tempel zegt: 'Waarlijk, deze was een zoon van God'? Waarom rent deze Romein dan niet snel naar Pilatus om zijn ontdekking te melden: 'We hebben een vergissing gemaakt!' Erg waarschijnlijk is deze passage niet - evenmin als de scheuring van de voorhang, hetgeen de totale ontheiliging van de tempel zou hebben betekend en waarvan niets blijkt in andere bronnen uit die tijd (met Flavius Josephus als de belangrijkste). Het is een latere toevoeging aan een ouder verhaal, een nieuwe 'stem'. Vergeer verbindt deze 'Zoon van God'-opmerking onder het kruis met de andere keren dat deze titel opduikt in Markus: in de aanhef van het evangelie, in de stemmen uit de hemel bij Jezus' doop in de Jordaan en bij zijn verheerlijking: telkens zijn het stemmen van buiten.

Het is ondoenlijk in kort bestek de vele slimme interpretaties van Vergeer weer te geven. Een juweeltje is zijn analyse van de Barrabas-scène (bekend van de kreet Barrabam! door het koor van het joodse volk uit Bachs Mattheus Passion). Die komt erop neer dat er in werkelijkheid maar één gevangene was: de opstandeling Barrabas, beter bekend als Jezus de Nazireeër! Met een paar kleine handgrepen heeft Markus de scène zo verdraaid dat de opstandeling werd gesplitst in een onschuldige Jezus, die Pilatus liever wil vrijlaten, en een schuldige Barrabas, wiens vrijlating wordt geëist door het 'joodse volk'. Niet alleen is aldus Jezus onschuldig aan opstand tegen het Romeinse Rijk, en passant wordt ook de Romeinse overheid vrijgepleit van het beulswerk. Deze interpretatie klinkt misschien waanzinnig en overdreven, maar de bewijzen in het knip- en plakwerk van Markus zoals Vergeer die onder het stof vandaan haalt, lijken me niet gemakkelijk te weerleggen.

Er is echter één probleem met deze Jezus-interpretatie. Waarom zou Paulus (en in zijn voetspoor Markus en de andere evangelisten) de hele christelijke verlossingstheologie (met de uit de dood opgestane Zoon van God, ontbinding van de joodse Wet, uitstrooiing van de Heilige Geest, enzovoorts) eigenlijk hebben opgehangen aan Jezus, als die kennelijk weinig meer was dan de leider van een mislukte apocalyptische belastingopstand?

Hoe overtuigend ook, wie Jezus reduceert tot een van de vele joodse opstandelingen tegen het Imperium Romanum, moet op deze vraag wel een antwoord geven. En dat doet Vergeer niet. Misschien was het wel toeval: het mystiek-religieuze genie Paulus liep in het Jeruzalem van de jaren dertig en veertig gewoon tegen de verhalen over Jezus aan, sloot zich na aanvankelijke vijandschap aan bij de teleurgestelde, overgebleven volgelingen en greep zijn kans. Maar erg bevredigend is die gedachte niet - na tweeduizend jaar christendom. En de bronnen zwijgen op cruciale punten.

Het Nederlandse taalgebied wordt dit jaar verwend met goede en interessante boeken over Jezus. Want eveneens verscheen Als dit uit de Hemel is. Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het Jodendom van Peter J. Tomson. Het is met zijn kalme toon en haast encyclopedische inhoud een heel ander boek dan het scherpe, pamfletachtige werk van Vergeer, en niet minder waardevol. Integendeel, als de uitgever verstandig genoeg was geweest om een naam- en zaakregister toe te voegen had het een standaardwerk kunnen worden. Zoals al uit de ondertitel blijkt, handelt het boek over de verhouding tussen het vroege christendom en het jodendom. Dat lijkt dan een detailonderwerp, maar het gaat hier in feite om een verhouding van een godsdienst tot zichzelf - zo onlosmakelijk joods is het christendom.

Filosoof

Tomsons boek valt in drie delen uiteen. Eerst een uitvoerig overzicht van de geschiedenis en positie van het jodendom in de oudheid, dan een interpretatie van de figuur van Jezus, en vervolgens het leeuwendeel: een gedetailleerde analyse van de opvattingen over jodendom in het Nieuwe Testament. Tomson verschilt niet veel van Vergeer in zijn analyse van de vele lagen en fragmenten waaruit sommige bijbelboeken bestaan, maar zijn opvatting van Jezus is minder radicaal en ook evenwichtiger. Zijn Jezus is meer een filosoof die afstand doet van alle maatschappelijke verantwoordelijkheden dan een politieke opstandeling. Tomson plaatst Jezus haarscherp tussen de verschillende joodse sekten en stromingen van zijn tijd: soms lijkt hij op de farizeeën, soms op de essenen en soms is hij helemaal nergens mee te vergelijken. Ommekeer en vergeving in het licht van de naderende eindtijd, dat was de kern van zijn boodschap.

Dat het christendom veel anti-joodse elementen heeft gekregen is gezien zijn ontstaansgeschiedenis niet zo gek. De niet-joodse christenen waren al snel in de meerderheid en die begrepen doorgaans weinig van de joodse gevoeligheden. Verder wilden de christenen zich tegenover de Romeinen graag distantiëren van het vrij negatieve imago van de opstandige joden. Tomson maakt duidelijk dat de diaboliseringen van de joodse tegenstanders door het christendom vaak afkomstig zijn uit intern-joodse polemieken en ruzies. Zolang het christendom bìnnen het jodendom functioneerde was er dus niks aan de hand, maar zodra - door de vele niet-joodse bekeerlingen - deze ruzies zich gingen afspelen tussen joden en niet-joden, was de antisemitische basis van het christendom gelegd.