Opstandig in het klooster

Craig Harline: De verzoekingen van Zuster Margriet. Het Vlaamse kloosterleven in de zeventiende eeuw. Vertaald door Marc Therry, Hadewijch, 318 blz. ƒ 42,90

De vervreemding tussen wat we vandaag Nederlanders en Vlamingen noemen, voltrok zich vanaf de afscheiding van de Verenigde Provinciën in de jaren tachtig van de zestiende eeuw. In de daaropvolgende periode beleefde het Noorden gouden jaren, terwijl in het Zuiden het paternalistische vorstenpaar Albrecht en Isabella, de landvoogden van de Spaanse koning, de basis legden voor de Vlaamse achterlijkheid in welstand en beschaving. Murwgeslagen door de godsdienstoorlogen, vond het Zuiden vrede in een fluwelen autoritair gezag. Toen raakte ingeworteld wat onder België zou nopen tot een Vlaamse strijd: plattelandse onmondigheid.

Op godsdienstig vlak kende het katholieke Zuiden intussen zijn eigen Reformatie. Het Concilie van Trente (1545-1563) voorzag in een herstructurering van de katholieke kerk. Bisschoppen werden geestelijke herders van hun diocees en waren niet langer wereldlijke prinsen, met een in de orthodoxie gekanaliseerde devotie en een systematischer lering van de gelovigen aan de hand van een catechismus.

Zelden heeft een structurele hervorming - niet door een revolutie, maarzelf gelanceerd - zozeer de mentaliteit weten te beïnvloeden. Tenminste in de zuidelijke Nederlanden. Daar werden de bisschopszetels binnen een redelijk korte termijn bevrijd van benoemingscorruptie en bemand door intelligente en geëngageerde mensen, die in niets meer geleken op de prelaten van dertig jaar tevoren.

Geen betere illustratie daarvan dan het waargebeurde verhaal dat Craig Harline vertelt in De verzoekingen van zuster Margriet. In de discipline die de Kerk zich na Trente wilde opleggen paste ook een nieuwe administratiecultuur. Van een bisschop werd verwacht dat hij om de vier jaar elke parochie en elk klooster onder zijn voogdij - en daartoe behoorde het overgrote deel der vrouwenkloosters - liet visiteren, waarvan ook verslag werd gemaakt.

Harline, die Europese geschiedenis doceert in het Amerikaanse Utah, is een uitzonderlijk liefhebber van dat soort verslagen. Rondscharrelend in de archivalia van het Mechelse aartsbisdom, raakte hij gecharmeerd van een document van 32 dichtbeschreven bladzijden uit het jaar 1628, geschreven door ene Margriet Smulders, non uit een klooster van franciscanessen te Leuven. Het betrof een brief aan de vertegenwoordiger van de aartsbisschop naar aanleiding van een visitatie. Zuster Margriet luchtte haar hart over de middelmatige naleving van de kloosterregel, het favoritisme bij moeder-overste en de krenterigheid van de zuster-econome: 'Al waare het datse al haer leven ter schoolen geleghen hadde om vreckicheyt te leeren, zij en soude haer ambacht niet beter connen.'

Harline begreep onmiddellijk dat het hier om een uitzonderlijke getuigenis ging. Ongetwijfeld zijn zulke brieven vaker geschreven, maar doorgaans minder lang en in de regel werden ze tijdig vernietigd, want in die kringen was men op discretie erg gesteld.

Nader onderzoek leerde Harline dat de in de brief geformuleerde klachten een woelige voorgeschiedenis kenden. Al tien jaar bevond de schrijfster zich in het klooster in een nagenoeg geïsoleerde positie. Volgens de meeste nonnen was de affaire begonnen toen Margriet geregeld in een toestand van bezetenheid verkeerde die zijzelf onvoldoende wou erkennen. Geleidelijk aan leidt Harline de lezer binnen in de verborgen wereld van het klooster. Cruciaal daarbij is de rol van de biechtvader, Hendrik Joos. Hij was door zijn attentievolle omgang en zijn smaakvolle woorden van bemoediging, de lieveling van een kliek rond de moeder; volgens Zuster Smulders was hij een man van dubbelzinnige minzaamheid. Wanneer hij na klachten van Margriet door de aartsbisschop van zijn taak wordt ontheven, wordt het klooster voor haar een vagevuur. Smulders ondergaat een spirituele kuur in Scherpenheuvel, hét Vlaamse bedevaartsoord van de Contrareformatie, maar wordt bij haar terugkomst onder quarantaine geplaatst in het gastenverblijf van het klooster.

In die eenzaamheid ontwikkelt ze een proto-feministische strijdbaarheid. Ze hoopt immers op de steun van de aartsbisschop, die begrijpt dat het verzuurde klimaat in de communauteit de gewenste verdieping van het religieuze leven bedreigt, maar wiens bezorgdheid nogal traag in daden overgaat. Een geschiedenisboek zou het als volgt uitdrukken: na Trente streefde de Kerk naar centralisatie, sterker nog, naar een variant op het absolutisme van de vorsten van die tijd, maar zij moest nu afrekenen met plaatselijke weerspannigheid. Een bisschop diende bij de uitvoering van zijn plannen diplomatiek te werk gaan en de politiek voeren van het minste kwaad.

Voor de anekdote betekent het dat er geen happy end is, hetgeen de auteur tracht te compenseren door begripvol te wijzen op de onontkoombaarheid van menselijke zwakheden. Het betekent ook dat aan de hand van dergelijke subjectieve bronnen in feite niet is te achterhalen wie in het verhaal de draak is en wie de held. En schreef Benedictus zelf zijn eigen regel niet precies voor de kleinmoedigen, de pusillanimi?

Harline heeft een bijzonder boek geschreven: het is spannend als een goede roman, het levert een moeilijk te overschatten bijdrage aan de geschiedenis van de eenvoudigen en het illustreert beter dan welk theoretisch werk ook de veranderingen in de katkolieke wereld in de zeventiende eeuw.