Oderdijk technisch al bezweken

ROTTERDAM, 1 AUG. “Eigenlijk is de dijk langs de Oder bij Oderbruch allang bezweken”, zegt ir. J.A. van Twillert, hoofd grondconstructies van het technisch adviesbureau Grondmechanica Delft. “Alleen, de zaak is met een immens pak noodmaatregelen rechtgetrokken, een bewonderenswaardige prestatie van de Duitsers. Ook vanmorgen zijn er weer nieuwe scheuren opgetreden die met grote hoeveelheden zandzakken te lijf zijn gegaan. Zo weet men de levensduur van een kapotte dijk steeds te rekken.”

De dijken bij Oderbruch dateren uit de 18de eeuw, toen Frederik de Grote het gebied door Nederlanders liet inpolderen. “Maar ik heb kaarten opgeduikeld van honderd jaar geleden waaruit blijkt dat er toen stukken zijn vernieuwd”, zegt Van Twillert. “Waarschijnlijk zijn de oude dijken gebouwd met klei uit de rivier. Tegenwoordig wordt vaak een zandkern aangehouden. Aan de buitenkant zit dan een kleiafdekking van een meter dik met daarop een grasmat. Helemaal afsluiten met asfalt heeft als bezwaar dat een verweekte dijk bij een snel zakkende waterstand zijn water niet snel genoeg kwijt kan en de afdekking opzij wegduwt.”

Een dijklichaam ontleent zijn sterkte aan de spanning die tussen de zand- en kleikorrels bestaat. Als de waterdruk toeneemt, wordt die spanning minder en ontstaat gevaar voor afschuiven. Van Twillert: “Aan de binnenkant kan de blubber van het achterland geen evenwicht meer maken en zakken uit het binnentalud schelpvormige stukken omlaag. Dat gaat gelukkig niet zo snel, zodat bij begin van scheurvorming er nog tijd is grote hoeveelheden zandzakken aan de binnenkant van de dijk te leggen, met steunberen naar de dijk toe. Dat biedt even soelaas.”

Niet de hoogte van de dijken langs de Oder is het probleem, maar de sterkte. Daarbij speelt de helling van het binnentalud een grote rol: hoe flauwer die is, des te langzamer de dijk bij aanhoudende hoge waterstand verweekt en des te langer hij standhoudt. Van Twillert denkt dat de dijken langs de polders minder gedimensioneerd zijn dan de Nederlandse, en dat een veiligheidsfilosofie zoals in het 'Deltaplan Grote Rivieren' goeddeels ontbreekt. “In Duitsland is dijkbeheer niet in handen van waterschappen zoals bij ons van oudsher het geval is. Die taak is toevertrouwd aan gemeenten. Een waterschap is er zeer op gebrand de dijken piekfijn op orde te hebben, dat is hun taak. In Oderbruch wordt iedere mark voor dijkonderhoud afgewogen tegen leuke dingen voor de mensen. Als het dan sinds mensenheugenis is goedgegaan raakt de politiek al snel geneigd op onderhoud of aanpassingen te beknibbelen.” Van Twillert: “Het proces van verweking gaat nog altijd door en dus wordt de dijk zwakker. Als het water te langzaam daalt, begeeft hij het alsnog.”