Levensbeëindiging

In het artikel 'Familie dementerende patiënt hoeft niet te weten van zinloze therapie' (29 juli), geeft hoogleraar klinische geriatrie D.H. Sipsma zijn visie omtrent levensbeëindigend handelen. Hij noemt beslissingen rond het levenseinde de moeilijkste beslissingen van het medische vak en stelt dat het primaat hiervan bij de arts moet liggen.

Als het verleggen van de grens van leven naar niet leven niet gezien zou worden als een medische handeling, dan zou het primaat van deze zogenaamde medische beslissing zoals beschreven door Sipsma niet bij de arts maar bij de patiënt zelf liggen. Kan Sipsma (en met hem vele artsen) zich dit recht tot beslissen toeëigenen en tegelijkertijd ervan overtuigd zijn “dat mensen die geestelijk heel ver weg zijn, toch een wil hebben” en zeggen: “Misschien voelen patiënten het zelf het nog het beste aan?” Zou het dan niet logischer zijn hieruit te concluderen een 'geen bezwaarsysteem' te hanteren bij de wilsonbekwame patiënt, zoals in België gedaan wordt met het ter beschikking stellen van organen.

Het levensbeëindigend handelen kan mijns inziens buiten het beleid gehouden worden van de verpleeghuizen, die toch primair opgericht zijn voor de cure en de care van de patiënt en naar mijn idee geen belang hebben bij de vervroegde dood van de patiënt?

Een tweede opmerking wil ik maken. In het artikel wordt de suggestie gewekt dat levensbeëindigend handelen door versterving of uitdroging geoorloofd is, omdat uit een nota van de KNMG uit 1993 blijkt dat ruim de helft van 8.500 demente patiënten die in verpleeghuizen overlijden, sterft doordat besloten is een behandeling niet te beginnen of een behandeling te staken. Hierbij gaat het echter om een moreel andere handeling, het proportionaliteitsprincipe kan er op toegepast worden en in die zin hoeft hier geen sprake te zijn van euthanasie.