Lakschoenen

Toen ik klein was had ik een kilt, een Schots rokje van dikke wollen tartan, met een grote veiligheidsspeld aan de voorkant. Ik had ook een tartan broek waar ik heel trots op was, want meisjes droegen meestal een rok. Maar de dikke wol was zo kriebelig dat het een marteling was om die broek te dragen, het was alsof ik een broek had van schuurpapier.

Mijn sokken waren door mijn grootmoeder gebreid en mijn truien door mijn oudtante, ook allemaal echte wol en vreselijk kriebelig. De truien waren te nauw in de nek, ze bleven soms vastzitten om je hoofd. Ik had tenminste ook één maillot (misschien was die ook gebreid door mijn grootmoeder, zij was heel goed in hielen), wat toen iets uitzonderlijks was. De maillot was rood, ik droeg hem onder mijn kilt. Op een keer toen er bezoek was, ik zal het nooit vergeten, vertelde mijn moeder aan iemand dat ik die maillot aanhad. Een échte, zei ze, en lichtte zomaar mijn kilt omhoog om hem te laten zien. Ik stond daar, in de entree, en ik dacht dat ik door de grond zou gaan van ellende.

Ik was ongeveer tien toen ik mijn allermooiste feestjurk kreeg: dat was een jurk met veel petticoats, erg in de mode. Ik droeg het op het verjaarsfeest van een vriendin die er ook zo een had. Eerst moesten we onze petticoats tellen. Die voelden zo prettig: als je ging zitten bolde de rok omhoog. Op dat feest hoorde ik ook voor de eerste keer van mijn leven rock 'n' roll muziek, 'Rock Around the Clock' door Bill Haley en de Comets.

De andere meisjes hadden zwarte lakschoenen maar die heb ik nooit gekregen. Een paar jaar later, op de middelbare school, vertelde een lerares dat lakschoenen heel gevaarlijk waren.

'Waarom?' vroegen wij.

'Omdat jongens je onderbroek erin kunnen zien', was het antwoord.