Klein Paradijs (6)

Uit de reigersnesten in de kruinen van de bomen klonk het gekwetter van een felle strijd om voedsel, maar daarvoor hadden wij geen aandacht toen wij terugvoeren. Thuisgekomen probeerden wij de situatie zo rationeel mogelijk te beschouwen. Het was natuurlijk mogelijk om ons niets van de bewonersvergadering aan te trekken, maar in dat geval was het niet ondenkbaar dat ons het lot zou treffen van een verdwaalde reiziger in vijandelijk gebied.

Aan de andere kant konden wij trachten de koop ongedaan te maken, bijvoorbeeld met een beroep op de onvoldoende informatie die ons van tevoren door mevrouw Brak was verschaft, maar het onaangename hierbij was dat mevrouw Brak al in het bezit was van de door ons overgemaakte 99.000 gulden. Wij hadden ons hoe dan ook gemanoeuvreerd in een toestand waarin wij afhankelijk waren van anderen. Het huisje daar tussen het riet, dat was een klein paradijs, maar de anderen die de sleutel moesten afstaan, die waren om met Sartre te spreken de hel. Natuurlijk beseften wij dat deze gedachte niets anders kon zijn dan puur filosofisch, want het vervelende was nu juist dat wij in de praktijk slechts konden afwachten wat die anderen met ons voor zouden hebben.

De gelegenheid om de kwestie alsnog op te lossen, kwam twee dagen later op de boerderij van de familie Van der Hoeven. Om de tafel in de tuin zaten Truitje, mevrouw Brak, haar vriend Bob en wij. Truitje nam het woord.

“Ik heb gehoord”, zei zij, terwijl ze zich tot ons richtte, “dat op de bewonersvergadering de vreselijkste dingen over ons zijn gezegd. Het lijkt mij dat jullie eerst maar eens moeten gaan navragen wat er van die dingen waar is.”

“Hoe bedoelt u?”, vroeg mijn vrouw. “Ik bedoel”, zei Truitje, “dat u in de buurt zou kunnen informeren wat voor soort mensen wij eigenlijk zijn.” Het bleef even stil, want een dergelijk onderzoek lokte ons niet erg. “Ik weet niet of wij daartoe in staat zijn”, zei ik tenslotte. Truitje snoof met enig misprijzen. Daarna wendde zij zich tot mevrouw Brak. “Heb jij die mensen”, vroeg zij streng, “verteld dat de waterdruk in het huisje te laag is en dat regelmatig de elektriciteit uitvalt?” “Maar dat was toch verholpen”, zei mevrouw Brak.

“Oh ja? Ik hoor van de andere bewoners anders nog regelmatig klachten. Je bent toch wel eerlijk geweest tegen deze mensen?”

De uitwerking van die woorden was verrassend. Mevrouw Brak, de homeopathische gedragstherapeute, barstte in huilen uit. Zij begon luid te snikken, maar ondanks dit vertoon van hulpeloosheid bleef Truitje onbewogen. “Zolang de situatie zo is”, zei ze, “kan het huurcontract niet getekend worden.”

“Maar mag ik u er dan op wijzen”, probeerde mijn vrouw, “dat wij nu een huisje hebben gekocht, waar wij niet bij kunnen, omdat wij niet mogen komen op de grond waarop het huisje staat.” “Dat vecht u maar uit met mevrouw Brak”, antwoordde Truitje onvermurwbaar.

In een bedrukte stemming reden wij naar huis. “Wat is dat mens gemeen”, snikte mevrouw Brak achterin de auto. Terug in Amsterdam namen wij afscheid. Voorzichtig stelden wij mevrouw Brak voor om het huisje van ons terug te kopen, of de koop anderszins ongedaan te maken. Zij zou er over nadenken, zei mevrouw Brak, nog altijd met een zakdoek in de hand.

Er volgde een week van angstig afwachten. Af en toe belde mevrouw Brak op. Zij zei dat zij het geld nog niet teruggestort had, maar dat ze nu probeerde het huisje door te verkopen. De dag naderde dat mevoruw Brak naar Amerika zou emigreren.

Op een avond belde Bob. Opgesteld door een advocaat lag het contract klaar, dat de terugverkoop zou regelen. Het ging om ƒ 99.000 minus 10% van de koopsom, minus een jaar voor de huur van de grond, minus allerlei bijkomende onkosten, te zamen ƒ 97.900, zodat er slechts een klein bedrag voor ons overbleef.

“Dat is standaard”, zei mevrouw Brak. Huilen deed ze niet meer, ze zag er nu stralend uit. Oh ja, die emigratie zou worden ingekort tot een lange vakantie.

Wij hebben getekend. Wat moesten wij anders?

Een paar dagen later belde Truitje. Over haar percentage hoefden wij ons geen zorgen te maken en zij vroeg zich af wie hier nu eigenlijk dom was geweest. Gelijk had zij wel, al zijn sommige mensen in hun slimheid zo dom dat zij niet beseffen hoe dom zij zijn. Maar dat was slechts een schrale troost.