In Kenia slijpt men de messen

Zakenlieden en diplomaten in Kenia zijn somber gestemd. President Moi lijkt te buigen voor hervormingseisen, maar de oppositie vertrouwt hem voor geen cent. Een nieuwe klasse politici laat op zich wachten.

NAIROBI/MOMBASA, 1 AUG. Micah Cheserem, directeur van Kenia's Centrale Bank, staat bekend om zijn onblusbare optimisme. “De regering zal deze maand een belangrijk besluit nemen om de politieke impasse te doorbreken”, verkondigt hij op een zakenborrel. Zijn optimisme wordt door nog maar weinigen gedeeld in Kenia. De meeste aanwezigen op het partijtje van hoge heren uit de politiek en de zakenwereld uiten zich veel somberder. “Het gaat snel bergafwaarts met Kenia, verzucht een zakenman met een glas bier in de hand. “De politieke crisis groeit met de dag en de antagonisten graven zich in. Intussen stort de economische en sociale infrastructuur in.” Een Westerse diplomaat nipt aan zijn whisky en zegt: “Als het zo doorgaat, begin ik te vrezen voor nog meer geweld.”

Cheserem behoort tot de gematigde en liberale vleugel van de regeringspartij KANU (Keniase Afrikaanse Nationale Unie) van president Daniël arap Moi. Samen met een handjevol regeringspolitici, zoals minister van Financiën Musalia Mudavedi, vecht hij een eenzame strijd voor economische hervormingen, tegen corruptie en voor tolerantie jegens de oppositie. “Dergelijke principes zouden gemeengoed moeten zijn in een meer-partijenstaat, zoals Kenia sinds 1991 is”, zegt een econoom. “De cultuur van de autoritaire een-partijstaat heerst echter nog steeds in Kenia.”

Cheserem en de zijnen oefenen beperkte invloed uit in de hoogste echelons van de macht. President Moi laat zich omringen door de havikken in KANU. Dat leidt tot repressie, corruptie en weinig aandacht voor de sociale sector. Kenia wordt in toenemende mate gehekeld door organisaties voor de rechten van de mens, het behoort tot de vier meest corrupte landen ter wereld en na Brazilië kent het de grootste inkomensverschillen.

Het 19-jaar oude regime van Moi liet zich de afgelopen maanden opnieuw van zijn harde kant zien. Een brede coalitie van kerkelijke leiders, ontwikkelingsorganisaties en oppositiepartijen riep op tot hervormingen. Aanvankelijk kwam er geen antwoord, toen volgde een afwijzing en een golf van geweld. Al eind 1994 beloofde de president een hervorming van de grondwet maar hij kwam die toezegging niet na. Na de hevige rellen begin juli, waarbij tien doden vielen en ordetroepen met traangasgranaten een kathedraal in Nairobi binnentrokken, zegde de president opnieuw hervormingen toe, maar pas ná de verkiezingen eind dit jaar. “Geen hervormingen, geen verkiezingen”, luidt nu de oorlogskreet van de oppositiepartijen die manifestaties en stakingen willen organiseren. Zij zijn gaan geloven dat Moi alleen onder voortdurende druk concessies doet. De politieke patstelling is volledig.

Zowel de havikken in de regeringspartij als radicalen in de oppositie slijpen hun messen. Prominente rechtse ministers als Nicolas Biwott en Joseph Kamotho verklaren op arrogante toon dat het tot de exclusieve bevoegdheden van KANU behoort om hervormingen door te voeren. De oppositiepartijen en de activisten voor hervormingen vertrouwen KANU en Moi voor geen cent meer. James Orengo, leider in de oppositiepartij Ford-Kenya, riep zaterdag onder groot gejuich tijdens een manifestatie in Mombasa: “We geven de regering van Moi nog dertig dagen om onderhandelingen te beginnen met de oppositie. Doet ze dat niet, dan verklaren we haar illegaal.”

De grondwet van Kenia dateert uit de koloniale periode en heeft sinds de onafhankelijkheid in 1964 geen degelijke herziening ondergaan. Na de introductie van het multi-partisme zes jaar geleden bleef de innige verstrengeling tussen staat en regeringspartij KANU onaangetast. De bevoegdheden van de president zijn buitengewoon groot. “Zijn invloed rijkt tot in alle staatsorganen”, zegt een diplomaat. “Er bestaat geen onafhankelijke rechtspraak en het parlement kan nog geen deuk in een pakje boter slaan.” Een zakenman geeft een voorbeeld: “Zonder effectieve controle van het parlement kon Moi een dure internationale luchthaven bouwen in zijn woongebied. Zonder raadpleging van het parlement schafte hij in een tijd van recessie een presidentiële jet aan voor vijftig miljoen dollar”. De kritische geestelijke Timothy Njoya concludeert: “Zolang de president zoveel macht heeft, zal verandering van wetten weinig zin hebben.”

De oppositiepartijen wensen toegang tot de staatsmedia. Radio en tv stellen zich doorgaans op als papegaaien van de overheid. Verder beschuldigt de oppositie de nationale verkiezingscommissie van partijdigheid. Deze grieven worden goeddeels onderschreven door vertegenwoordigers van Westerse donorlanden. “Een minimum aan hervormingen vóór de verkiezingen is nodig om eerlijke competitie mogelijk te maken”, aldus een diplomaat.

Bij de eerste meer-partijenverkiezingen, in 1992, kregen in de presidentiële race de drie oppositiekandidaten tesamen tweederde van de stemmen, Moi de rest. De verdeeldheid van de oppositie bracht Moi de overwinning. De verkiezingen dit jaar zullen naar verwachting dezelfde trend laten zien. Met één belangrijk verschil: het aantal in de politiek teleurgestelde niet-stemmers zal waarschijnlijk toenemen. Geconfronteerd met de naderende nederlaag zochten de oppositieleiders alvast een excuus. “Zonder grondwetshervormingen kan Moi nooit verliezen”, zegt Khalef Khalifa, leider in Mombasa van de niet geregistreerde partij Safina. “Als er geen hervormingen komen, stevent Kenia af op een bloedbad.”

Evenals de KANU opereert de oppositie volgens de traditie van de een-partijstaat. Interne partijdemocratie ontbreekt, leiders nemen zonder overleg met de achterban besluiten. De oppositieleiders gebruiken de toegenomen vrijheid bovenal als instrument om aan de macht te komen. “De politieke partijen hebben richting verloren”, erkent Khalifa. “Ze vielen in vele facties uiteen, want bij iedere politicus overweegt het eigenbelang. We moeten in Kenia nog leren dat partijen steun aan de basis nodig hebben.”

De teleurstelling onder de Kenianen over de oppositie is groot, vermoedelijk groter dan over de regering van Moi. De komst van een nieuwe klasse politici, die niet is betrokken bij het systeem van patronage, laat op zich wachten. De jonge en strijdbare Sheik Khalid Balala: “Er zijn eerlijke en goed opgeleide Kenianen die klaar staan om de macht over te nemen. Zowel binnen KANU als in de oppositie. Je vindt ze in het zakenleven en bij de rechtbanken. Maar ze krijgen geen kans, Moi en de oudere generatie tolereren hen niet. We zoeken naar een nieuw soort politici.”