Geschiedenis van het cultuurpessimisme; Gouden toekomst voor zwartkijkers

Roger Burbach, Orlando Núnez en Boris Kagarlitsky: Globalization and its discontents. The rise of postmodern socialisme. Pluto Press, 196 blz. ƒ 46,90

Arthur Herman: The idea of decline in Western history. The Free Press, 521 blz. ƒ 66,50

William Ophuls: Requiem for modern politics. The tragedy of Enlightment and the challenge of the new millennium. WestviewPress, 320 blz. ƒ 69,95

John Ralston Saul: The unconscious civilization. De Free Press, 199 blz. ƒ 51,70

De omloopsnelheid van pretentieuze theorieën over de toestand in de wereld is het afgelopen decennium onrustbarend toegenomen. Nog maar enkele jaren terug werd, onder veel bijval, 'een coherente en richtinggevende Geschiedenis van de mensheid' op weg naar de liberale democratie voorspeld. Onlangs, toen we bleken ontwaakt uit de overwinningsroes van de Koude Oorlog, werd de veronderstelling dat onze westerse beschaving, waarvan de liberale democratie het kernstuk is, van universele betekenis zou zijn, als 'bedrieglijk', 'gevaarlijk' en zelfs 'immoreel' verworpen.

En nu, weer enkele jaren later, is de teneur van menig mondiale beschouwing ronduit pessimistisch, alarmistisch zelfs. De twintigste eeuw, de eeuw waarin alles vele malen sneller, heftiger en dramatischer was, zou onze beschaving aan de rand van de afgrond hebben gebracht. Weg vooruitgang! Weg optimisme! Is het de dikwijls veronderstelde collectieve depressiviteit van het fin-de-siècle, of is onze wijze van samenleven inderdaad gedoemd aan haar eigen onmatigheid ten onder te gaan?

De echte onheilsprofeet laat zich natuurlijk niet door het jaargetijde beïnvloeden. Het gaat hem om de unieke kwaliteit van zijn crisis en het einde van alle tijden. In geen van de hier besproken beschouwingen, hoe verschillend ze ook zijn, wordt zelfs maar gerefereerd aan zoiets banaals als einde-eeuws cultuurpessimisme. Het gaat om serieuzer zaken. Het gaat om de ongebreidelde en nietsontziende expansiedrift van het internationale kapitaal (Roger Burbachs Globalization and its discontents), om de destructieve arrogantie van ons doorgeschoten Verlichtingsdenken (William Ophuls' Requiem for modern politics) of om de dodelijke passiviteit en volgzaamheid van de platgeslagen moderne samenleving (Sauls The unconscious civilization). Maar gelukkig, er is altijd nog de historicus, in dit geval de Amerikaanse geschiedschrijver Arthur Herman, die ons geruststelt (of in slaap sust): de overtuiging dat de beschaving haar onvermijdelijke ondergang nadert, is een klassiek bestanddeel van de moderne westerse verbeelding. Cultuurpessimisme is van altijd en overal. In The idea of decline of Western history heeft hij, op toegankelijke en leesbare wijze, de geschiedenis van deze intellectuele traditie uiteengezet.

Herman is de enige optimist in het gezelschap. Onze westerse culturele idealen en instituties genieten nu meer prestige dan toen we over onze koloniën regeerden, meent hij, ze zijn de hechte fundering onder de moderne, mondiale kijk op de werkelijkheid. Terzelfdertijd, en de spanning laat hij onverklaard, stelt hij dat het 'verval van de beschaving' tot het 'meest dominante en invloedrijke politieke culturele thema' in de twintigste eeuw is geworden. Herman onderscheidt twee varianten. De historisch-pessimisten waarschuwen voor ongewenste ondermijning van de samenleving door destructieve krachten waartegen ze onvoldoende verweer heeft. Cultuurpessimisten daarentegen menen dat de moderne beschaving de kiemen van haar eigen ondergang draagt. De moderne beschaving is het probleem. Ze verdient het niet van de ondergang te worden gered.

De Amerikaanse politicoloog en publicist William Ophuls neigt naar cultuurpessimisme. Requiem for modern politics is een vernietigende afrekening met onze moderne samenleving, en haar vier 'grote kwaden': lichtzinnige uitbuiting van de natuur, georganiseerd geweld tegen buitenstaanders, tirannie over eigen volk en schaamteloze sociale ongelijkheid, zoniet regelrechte slavernij. De politieke en economische grondvesten van onze wijze van samenleven vindt Ophuls in het stenen tijdperk, in de overgang van jagen en verzamelen naar primitieve landbouw. Ze is de 'oorspronkelijke tragedie' van onze beschaving; de keuze productie te intensiveren in plaats van mensen en behoeften te beperken. De Verlichting heeft ons definitief op het verkeerde spoor gezet. Ze zocht een remedie voor de kwaden van de beschaving, maar ze heeft ze, met haar eenzijdige nadruk op de rede (of eigenlijk op de rationaliteit), allen maar verergerd. De Verlichting bracht ons het liberalisme, stelt Ophuls, het liberalisme bracht ons ongebreidelde menselijke hebzucht zonder enig moreel tegenwicht.

Corporatisme

Wat het liberalisme is voor Ophuls, is corporatisme voor de Canadese schrijver en essayist John Ralston Saul. Corporatisme, neo-corporatisme eigenlijk, is het spiegelbeeld van democratie. Het is gebaseerd op een combinatie van egoïstisch individualisme en hiërarchisch groepsdenken. Het pretendeert het politieke evenwicht tussen concurrerende belangengroepen te handhaven, schrijft Saul, maar en passant ontkent en ondermijnt het de legitimiteit van het individu als burger. Democratie is gereduceerd tot veiligheidsklep. The unconscious civilization, dat eerder in Canada verscheen, is geen aanklacht tegen het liberalisme, althans tegen de politieke dimensie van het liberalisme. Integendeel, naar zijn mening heeft neo-corporatisme het liberale project, de waardering voor het individu, juist gefrustreerd. Corporatisme dwingt tot passiviteit, tot conformisme en aanpassing. Terzelfdertijd is Saul, net als Ophuls, een fel criticaster van het moderne ongebreidelde marktdenken. 'We zijn verrukt van een nieuwe, machtige God, de markt, en van zijn aartsengel, technologie. De markt biedt ons handel, de wonderbaarlijke genezer van alle kwalen die ons plagen. Mondialisering is onze Hof van Eden, ons paradijs...'

Saul interpreteert mondialisering vooral als een ideologie, als een schijnbare vanzelfsprekendheid die ons allerlei beperkingen oplegt en die ons dwingt tot aanpassing. De discipelen van de vrije markt zijn voor hem de jacobijnen, de bolsjewieken, de fascisten van deze tijd. 'Ze zijn de uitverkorenen', schampert hij, 'de minderheid in het bezit van de waarheid en van het recht die aan ons op te leggen, met willekeurig welke middelen'. Saul windt er geen doekjes om. 'De mens is gereduceerd tot een meetbare waarde, net als een machine, als een stuk bezit. We bevechten voor onszelf een hoge betekenis en leiden een comfortabel leven, of we worden, zonder enige ceremonie, gedumpt op de vuilnisberg van de overbodigheid.' Maar Saul is het bewijs van zijn eigen ongelijk. De puntigheid, de originaliteit, de overdrijving en de leesbaarheid van Unconscious civilization zijn uitdrukking van het dwarse en uitgesproken individualisme waarvoor, naar hij zelf zegt, in onze corporatistische samenleving geen plaats meer is.

Paradoxen

De ex-marxisten Roger Burbach (Verenigde Staten), Orlando Núnez (Nicaragua) en Boris Kagarlitsky (Rusland) slaan op hetzelfde aambeeld, de mondiale kapitalistische expansie, maar met veel orthodoxer middelen. In Globalization and its discontents werken ze drie paradoxen uit: de ontwrichtende effecten van het 'laat-kapitalisme' op hetzelfde moment dat het de gehele wereld omspant; de ideologische impasse van de liberale democratie nu ze eindelijk een dominante positie heeft verworven; en het falen van het socialisme op een ogenblik dat wanhoop en ontreddering zich wereldwijd manifesteren. Burbach c.s. schilderen het al bijna klassieke beeld (sinds Robert Kaplans The coming anarchy) van de nieuwe wereldwanorde. De argumenten zijn bekend: van de verbreiding van nieuwe, dodelijke ziektes, de enorme en nog steeds groeiende verschillen tussen arm en rijk, de uitputting van het milieu, tot en met de ondermijning van staten en alle gevolgen van dien. Somberheid troef.

Te somber, ongetwijfeld, maar veel reden voor luchthartigheid over de toestand in de wereld is er toch niet. De essentie van de mondialisering is, zowel voor Saul als voor Burbach, de wereldwijde speculatie met kapitaal. Per dag gaat er voor 1.000.000.000.000 dollar van hand tot hand, de virtuele dollars met name. Het Finanzkapital waartegen de arbeidersbeweging vroeger te hoop liep, was niet meer dan een fooi in vergelijking met de geldhandel van vandaag. 'Ik ben dol op de markt', schrijft Saul, 'ik hou van handel, van geld, van mondiale economie, van alles. Het is een spel. het is leuk zolang je je het gevoel voor humor kunt veroorloven.' Saul spreekt voor degenen die er de grap niet van inzien. Waarom is een face-lift een economische activiteit en is een bypass een economische verplichting, vraagt hij zich af. Waarom is vakantie de parel van de dienstensector en is kinderopvang een kostenpost? Marktdenken is mooi, maar ze brengt ons geen evenwicht, geen verbondenheid, geen duurzaamheid, geen democratie. Het is tijd voor Umdenken, concludeert Saul, voor een radicale heroriëntatie op groei, op economische kosten en op maatschappelijke baten.

Doet deze aansporing niet ietwat gedateerd aan? Heeft het ongebreidelde marktdenken in de tussentijd niet al een bescheiden politieke tegenreactie opgeroepen? Is de recente zegetocht van de sociaal-democratie in Europa niet als zodanig te beschouwen? Wellicht, maar dan toch niet, zo vermoed ik, in de visie van Saul, Burbach of Ophuls. De echte pessimist laat zich immers niet door dergelijke oppervlakkigheden afleiden. Ecologie, democratie, bewustzijn - daar gaat het om. In onze moderne samenleving is de rede tot ideologie verheven en, om het kort samen te vatten, waar de ratio zegeviert, verliest de moraliteit. Burbach wil het zedelijk verval nog wel beperken tot het grootkapitaal en enkele losgeslagen randgroepen in de grote steden, maar Saul en zeker Ophuls zien het als één van de kenmerkende eigenschappen van onze wijze van samenleven. Hebzucht en hedonisme, oppervlakkigheid, hyperpluralisme, egoïsme en materialisme - we leven in een Zivilisation ohne Kultur, een beschaving zonder ziel.

Is er iets nieuws onder de zon? Herman tracteert de lezer op een reeks pessimistische beschouwingen, van Arnold Toynbee en de Frankfurter Schule tot en met Christopher Lasch en zijn cultuur van het narcisme. Misschien toch wel. Meer dan zijn voorganger en geheel in de geest van zijn tijd denkt de huidige cultuurpessimist mondiaal. Het gaat om veel méér dan de crisis van de westerse beschaving; het gaat om het voortbestaan van de aarde. Eco-pessimisme. Het is de overtreffende trap van historisch pessimisme. Het is definitief. Na de vernietiging van onze leefomgeving is er immers niets meer. Ons voortdurend vertrouwen in technologisch kunnen heeft een vicieuze cirkel in gang gezet die alleen maar tot verdergaande chaos, verval en uitputting in onze biosfeer zal leiden, meent Ophuls. Hij noemt het entropie, de tweede wet van de thermodynamica: eindeloze vooruitgang is onmogelijk, iedere energie zoekt uiteindelijk een uitweg en leven sterft af. Het is geen originele gedachte, de verklaring van opkomst en ondergang van beschavingen met behulp van schijnbaar objectieve natuurwetten, maar bronverwijzingen ontbreken in Ophuls' geval.

Finale paradox

Gelukkig is de gemiddelde cultuurpessimist ijdel genoeg om zijn aanklacht tegen de eigen tijd vergezeld te doen gaan van enige stevige aanbevelingen voor een andere, betere, duurzamer wijze van samenleven. De diagnose bepaalt de remedie. Burbach en de zijnen bepleiten 'postmoderne socialismen' (meervoud) als een alternatief voor de 'moderne barbarij'. Ze combineren de universele waarheden van het dialectisch materialisme met de bijzondere vereisten van het individuele geval. Het is de finale paradox van dit tijdsgewricht, concludeert Burbach: samenlevingen, culturen en economieën zijn geheel verstrengeld geraakt, maar de strijd voor veranderingen vindt vooral op lokaal niveau plaats. Saul vindt zijn aanpak van de 'onbewuste samenleving' niet in ideologische bespiegelingen maar in een 'nuchtere opsomming van menselijke kwaliteiten': gezond verstand, creativiteit, verbeelding, ethiek, intuïtie of instinct, herinnering en (want zónder kunnen we ook niet) rede.

En Ophuls ten slotte, die schrijft de moderne samenleving een 'romantische' omwenteling voor. Deugdzaamheid, spiritualiteit, gemeenschapszin - daar gaat het hem om. 'Ik stel mij een politiek van bewustzijn voor', schrijft hij, 'diep geworteld in een vernieuwde erotische verbinding met de natuur en met het mysterieuze en gewijde domein van waaruit mens en natuur zijn voortgekomen.' Het is niet zozeer Ophuls' visioen dat angst inboezemt, maar de weg erheen: de phoenix van de nieuwe beschaving zal oprijzen uit de as van de oude orde. Misschien moet de politicoloog Ophuls nog maar eens te rade gaan bij Vaclav Havel, die, na enkele jaren presidentschap, opmerkte dat goede smaak wellicht toch nuttiger is dan een graad in de politieke wetenschappen.