Geschiedenis van de hemel; Een tuin met vele hoveniers

Jeffrey Burton Russell: A History of Heaven. The Singing Silence. Princeton University Press. 220 blz. ƒ 72,80

Engelen zijn mannelijk, blank en hebben blauwe ogen, blond haar en vleugels. Dit stereotype beeld werd een tijdje geleden weer eens bevestigd in een Italiaanse enquête onder gelovigen. Een enkeling veronderstelde weliswaar dat engelen vrouwelijk en zwart zijn, en ook over het haartype - steil of krullend - en de omvang van de vleugels liepen de meningen uiteen. Maar dit zijn details. Het gros van de Italiaanse ondervraagden beschreef engelen als een soort vliegende Hollanders.

In contrast met dit eensluidende beeld van engelen staat de veelvormigheid waarmee hun woonplaats, de hemel, wordt beschreven. De bekende Amerikaanse historicus Jeffrey Russell heeft daar nu een boek over geschreven. Zijn conclusie luidt dat vanuit historisch oogpunt de hemel is wat mensen gedacht hebben dat het is. Maar welke voorstellingen hebben mensen in de loop der tijden gemaakt over de hemel, over dit mysterie dat 'God heeft bereid voor hen die Hem liefhebben', maar dat 'het oog niet heeft gezien, noch het oor heeft gehoord' (Kor. 2:9).

Russells boek is een conceptuele geschiedenis van christelijke ideeën van de hemel tot het eerste kwart van de veertiende eeuw. Aangezien het (vroeg) christelijke denken over de hemel mede is bepaald door joodse opvattingen en door theorieën ontleend uit de Grieks-Romeinse wijsbegeerte, begint Russells geschiedenis in 200 voor Christus. Ze eindigt met een levendige analyse van Dante's Paradiso, het laatste deel van de Goddelijke Komedie waarin het personage Dante door zijn overleden geliefde Beatrice door de laatste hemelsferen wordt geloodst om ten slotte in het aangezicht met God te staan. Het is een cruciale gebeurtenis in het gedicht. Dante merkt er zelf over op dat woorden hem tekort schieten om weer te geven wat hij ziet. Om toch het paradijs te beschrijven dient zijn gedicht een plek op de weg te vinden waar ze over de versperring kan springen (Canto XXIII, 61-63). Russell ziet Dante's beschrijving van de hemel als een kruispunt waar vele tradities samenkomen en op onnavolgbare wijze geherformuleerd zijn. Om deze reden sluit hij zijn boek af met twee hoofdstukken over Dante's concept van de hemel.

Het boek begint met een hoofdstuk over de joodse en Grieks-Romeinse wortels van de christelijke opvattingen over de hemel. De opvattingen dat de dood een overgang is naar een ander leven, dat de ziel na de dood een tocht maakt, en dat de zielen van de 'goeden' een betere toekomst wacht dan de zielen van de 'slechten' zijn alle ontleend aan dit erfgoed. Ook de idee dat 'boven' beter is dan 'beneden', en dat de hemel derhalve 'boven' is gesitueerd, met de maansfeer als scheidslijn tussen het bovenmaanse en het ondermaanse gaat terug op antieke opvattingen. Ten slotte blijken voorstellingen van de hemel als een idyllische tuin of een veld een zeer oud verleden te hebben. De details van dergelijke beschrijvingen werden overigens regelmatig bepaald door de klimatologische omstandigheden van de auteur. Zo wordt de paradijselijke tuin nu eens afgeschilderd als koel en schaduwrijk, en dan weer als zonnig, maar altijd liggen de lammeren vredig naast de wolven en druipen de bomen van de honing.

In deze beelden van de hemel en in de vele vragen die ze opriepen in de geleerdenliteratuur zijn twee hoofdmotieven te isoleren: de gelukzalige visie van God en de mystieke vereniging met God. De gelukzalige visie bestaat uit het schouwen van God van aangezicht tot aangezicht, dat wil zeggen het doorgronden van Gods natuur voorzover dat aan ons mensen gegeven is. Onze vermogens zijn menselijk en dus eindig en beperkt. Dit betekent dat wij God nooit in dezelfde mate zullen kennen zoals hij zichzelf kent.

De gelukzalige schouwing verloopt volgens een bepaald stramien dat zich geleidelijk heeft ontwikkeld in de christelijke traditie. Bij Augustinus (354-430) verloopt het ongeveer als volgt. Na de dood worden lichaam en ziel tijdelijk van elkaar gescheiden. De ziel wordt onmiddellijk beoordeeld. De geredde ziel gaat naar het aardse paradijs, terwijl de verdoemde ziel haar straf ondergaat. In het aardse paradijs valt de geredde ziel de gelukzalige schouwing van God ten deel. Hierna volgt de wederopstanding waarbij de ziel van de overledene weer verenigd wordt met het lichaam. De hemelreis wordt afgesloten met het laatste oordeel (dat voor de geredde zielen overigens hetzelfde uitvalt als vlak na hun dood) en het ultieme geluk in de hemel.

Dit basisschema werd nader geconcretiseerd in de literatuur en in de kunst (Russells boek bevat veertien pagina's met illustraties). Tegelijkertijd werd het theoretisch verfijnd in de middeleeuwse scholastieke literatuur. Zo vroegen theologen zich bijvoorbeeld af welk deel van de mensheid uitverkoren is; of de wederopstanding plaatsheeft in hetzelfde fysieke lichaam als vóór de dood, of in een spiritueel lichaam; en wanneer precies de gelukzalige schouwing optreedt. Met name over dit laatste thema is in de veertiende eeuw veel gediscussieerd. Paus Johannes XXII (1316-34) was van mening dat de gelukzalige schouwing pas plaatsvindt na het laatste oordeel. Hij zocht voor zijn opvatting steun bij met name franciscaanse theologen die hij als gasten aan het pauselijk hof van Avignon rapporten en tractaten over deze kwestie liet schrijven. Tegenstanders van zijn opvatting censureerde hij. Maar zoals de theologische traditie wil, wordt zij geleid door de Heilige Geest en benadert zij uiteindelijk de waarheid. Johannes' opvattingen werden door zijn opvolger Benedictus XII veroordeeld en het boven beschreven basisschema van de hemelreis werd in 1886 tot dogma verklaard door de Rooms Katholieke Kerk.

Het tweede grondmotief van het hemelconcept is de vereniging van God. De hemel is een toestand van liefde en vrede tussen individu en onderling en met Christus. Dit element van de hemel is vooral uitgewerkt in de spirituele contemplatieve christelijke traditie zowel in de theologie als in de literatuur, bijvoorbeeld in de bruidsmystiek waarin de liefde voor God wordt beschreven in huwelkijkse termen. De eenwording met God wordt hierin gepresenteerd als een vervulling zonder verlies van de eigen identiteit, 'zoals een druppel water gemengd met wijn, lijkt te verdwijnen'. In de theologie vindt deze traditie vooral vertegenwoordigers bij monniken. De voornaamste en meest invloedrijke exponent was de cisterciënser Bernard van Clairvaux. Aardig detail is dat het aandeel van de monastieke traditie onder meer valt af te lezen uit beschrijvingen van de hemel waarin aan monniken een hogere plaats is toebedacht dan aan andere uitverkorenen, omdat zij immers al zozeer doordrenkt waren van het spirituele leven waarvan de hemel de culminatie is. Maar deze gedachtengang pasten zij geheel consequent ook toe op hun concept van de hel. Vanuit het principe dat de ergste verdorvenheid de verdorvenheid van de besten is, gaven zij de minst aantrekkelijke plaatsen in de hel aan gevallen monniken.

Jeffrey Russell is erin geslaagd een zeer nuttige en boeiende geschiedenis te schrijven van het concept van de hemel, in proza dat ook goed te volgen is voor de niet-specialist. Eén voor één rafelt hij de elementen uiteen die de voorstellingen van de hemel in het christelijke Westen tot in de veertiende eeuw hebben bepaald. Hierbij parafraseert en vertaalt hij vaak uitvoerig uit bronnen, waardoor de lezer op directe wijze kennismaakt met middeleeuwse auteurs. Het is kortom een goed boek, geschreven volgens de beproefde Russell-formule, waarmee de lezer al eerder kennis kon maken in zijn studies over hekserij en over de duivel. Scherpe historische analyses van ideeën en noties die door eeuwenlange tradities zijn gevormd, op boeiende wijze gepresenteerd voor een breder publiek zonder in te boeten aan intellectuele diepgang, en geschreven met een grote persoonlijke betrokkenheid. Van dit laatste legt Russell getuigenis af in het inleidende en in het slothoofdstuk van zijn studie over de hemel. Het verleent een extra, spirituele dimensie aan zijn geschiedenis. Het wachten is op het meerdelige vervolg dat hij in het voorwoord aankondigt.