Een ambitieuze nieuwe reeks; Feminisme als psychotherapie

Vincent Duindam: Zorgende vaders. Over mannen en ouderschap, zorg, werk en hulpverlening. 160 blz. ƒ 29,90 Helmi Goudswaard: Vrouwengroepen. Kortdurende psychotherapie. 233 blz. ƒ 49,90 H.C. Halberstadt-Freud: Electra versus Oedipus. Psychoanalytische visies op de moeder-dochterrelatie. 227 blz. ƒ 39,90 Anja Meulenbelt: Chodorow en verder. Over de psychopolitiek van sekse. 249 blz. ƒ 39,90 Alle verschenen in de reeks Gender, Psychologie, Hulpverlening, uitgeverij Van Gennep, onder redactie van Anja Meulenbelt.

Het is alweer haast twintig jaar geleden dat Nancy Chodorows baanbrekende studie The Reproduction of Mothering verscheen. Ondertitel: Psychoanalysis and the Sociology of Gender (University of California Press 1978). Het boek siert inmiddels vele lijsten van meest geciteerde en invloedrijke werken.

Wat was er zo baanbrekend aan? Ten eerste dat Chodorow zich afvroeg waarom vrouwen eigenlijk verlangen naar kinderen en waarom zij ook degenen zijn die er voor zorgen. Ten tweede dat ze die vragen beantwoordde door een radicale maar serieuze herinterpretatie van de psychoanalytische klassieken. Zij bezag het moederschap dus noch als een biologische vanzelfsprekendheid, noch als het resultaat van mannelijke misleiding of ideologische dwang.

Vrouwen staan in het Freudiaanse ontwikkelingsschema voor de emotioneel lastige opgave dat ze hun geslachtelijke identificatie met de moeder moeten behouden terwijl ze tegelijk van liefdesobject moeten wisselen. Anders echter dan Freud, concludeerde Chodorow dat meisjes hun eerste band, die tot de moeder, nooit geheel opgeven. Zij wisselen niet van object maar krijgen er één bij: de vader. Dat maakt vrouwen (althans onder ouderschapsverhoudingen waarin vrouwen de primaire zorg verschaffen en mannen relatief afwezig èn machtig zijn) emotioneel complexer en ambivalenter.

Sjablonen

De behoefte aan een 'derde' wordt in de echtelijke relatie vervuld door het krijgen van kinderen; de relationale capaciteiten waardoor vrouwen beschikken over het vermogen te zorgen, resulteren eveneens uit die nooit opgegeven (innerlijke) band. Meisjes worden minder streng dan jongens, die voor moeders duidelijk de 'ander' zijn, gedwongen tot separatie.

Overigens, het kan niet genoeg worden onderstreept, gaat het bij dit soort redeneringen om sjablonen; in werkelijkheid wijkt ieders individuele history of object choices meer of minder van deze standaardroute af. En om meteen een tweede misverstand uit de weg te ruimen: deze analyse impliceert geenszins dat een van beide seksen aardiger, moreel hoogstaander of geestelijk 'gezonder' zou zijn.

Dat Chodorow gebruik maakte van de psychoanalyse was onder feministen anno 1978 een omwenteling. 'Psychologiseren' en zeker psychologiseren op basis van de gedachte dat mensen gebukt gaan onder 'onbewuste' beweegredenen, was in de linkse jaren-zeventigcultuur taboe. De psychoanalyse had zichzelf bovendien verdacht gemaakt als propagandist van de benauwend-conformistische gezinsverhoudingen waarin vrouwen fulltime thuismoeder dienden te wezen; wie dat niet zo'n aantrekkelijke levensvulling vond liep het risico te worden beschuldigd van penisnijd.

Het in 1980 verschenen 'vrouwennummer' van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid (MGv) was een van de eerste pogingen om dat taboe te doorbreken en iets in kaart te brengen van wat nu 'vrouwenhulpverlening' heet. Zelf heb ik daarin geprobeerd het werk van Chodorow (toen sociologe, nu psychoanalytica) te vertalen naar wat je ermee zou kunnen zeggen over seksespecifieke psychische problematiek. Want eigenlijk is dat niet haar onderwerp. The Reproduction of Mothering (dat in het Nederlands de beperktere titel Waarom vrouwen moederen kreeg) gaat primair over emancipatie; het biedt een psychodynamisch geïnspireerde sociologische theorie over het tot stand komen van 'geseksueerde' persoonlijkheden, van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Chodorows conclusie luidt dat, teneinde de sociale ongelijkheid van de seksen te verhelpen, ook vaders zouden moeten 'moederen'. Als ze in hun vroegste jeugd niet langer werden geconfronteerd met too-much-of-mother, zouden beide seksen met een prettiger verstandhouding jegens vrouwen door het leven gaan, en zouden de eenzijdige, verminkende persoonlijkheidskenmerken die zij nu meekrijgen, verdwijnen.

Die persoonlijkheidskenmerken zijn in hun extremen nauwelijks af te grenzen van wat als pathologie wordt beschouwd. Om wat voorbeelden te noemen: mannen kampen nogal eens met rigide ego-afbakening en bindingsangst; vrouwen met gebrekkige ik-grenzen, onvoldoende autonomie, agressieremming, overmatig schuldgevoel en een neiging tot afhankelijkheid.

Alledaagse genderkwesties

Ik licht dit allemaal zo uitgebreid toe omdat uitgeverij Van Gennep zojuist onder de titel Gender / Psychologie / Hulpverlening een ambitieuze nieuwe reeks is gestart, waarvan de grootste gemene deler is dat alle delen tot nu toe impliciet of expliciet voortborduren op de theorie van Chodorow. Totaal staan maar liefst tien titels gepland, bestemd voor hulpverleners, sociale wetenschappers en een algemeen in seksenverhoudingen geïnteresseerd publiek. Of Gender / Psychologie / Hulpverlening een geslaagd project is, durf ik op grond van de vijf tot nu toe verschenen delen, die er overigens mooi uit zien, niet te voorspellen: ik trof nogal veel overlappingen en bij tijd en wijle slechte zinnen aan, en de diverse afleveringen verschillen sterk van kwaliteit.

Tot in de titel aan toe speelt Chodorow de hoofdrol in de gebundelde lezingen van serieredacteur Anja Meulenbelt, hier te lande al jarenlang een getrouw popularisator van een 'psychopolitieke' benadering. Meulenbelt slaagt erin Chodorows gedachtengoed voor een groot publiek toegankelijk te maken door het - in een sociale-academieachtige 'wij-stijl' - toe te passen op allerlei herkenbare alledaagse genderkwesties als machtsverschillen in de liefde, succesvolle vrouwen, en de omgang tussen moeders en dochters.

Net als bij Meulenbelt is ook bij psycholoog Vincent Duindam het persoonlijke nog altijd politiek. Zorgende vaders is het enige boek uit de reeks dat niet wordt beheerst door de moeder-dochterrelatie. Duindam is een propagandist van het participerend vaderschap: vader moet niet langer de vreemde, zondagse vleessnijder zijn uit de televisie-spot. Aan dit ideaal hangt hij een complete cultuurrevolutie op: minder faxen, meer fietsen met dochterlief, en ziet: minister De Boers 'onthaasting' is daar. Chodorows toch zo subtiele verhaal wordt hier opgevat als een eenvoudig doch voedzaam recept voor een beter (mannen)leven. Maar dat je aan dweilen even veel plezier zou moeten beleven als aan stukjes schrijven, zoals Duindam in alle ernst suggereert, wil er bij mij niet in.

Geslaagd zijn de twee boeken van de psychotherapeuten Helmi Goudswaard en Iki Halberstadt-Freud. Zij geven een goed beeld van de stand van de psychologische hulpverlening aan vrouwen. Ook hier blijken de kernthema's die door Chodorow werden verkend, richtinggevend te zijn geweest (naast overigens de ontwikkeling van behandelingen voor incestslachtoffers).

Maar behalve dat illustreren deze delen ook nog wat anders. Het feminisme mag dan als zichtbare politieke beweging zijn stilgevallen, het 'professionele feminisme' bloeit. Bevatte de inventarisatie van vrouwentherapiegroepen van het MGv-nummer nog veel steun- en zelfhulpachtige groepen, in Vrouwengroepen wordt een scala van kortdurende therapieën gepresenteerd die zijn gebaseerd op feministisch geïnformeerde psychologische theorieën en die inmiddels gewoon in RIAGGs en andere officiële vormen van hulpverlening en psychiatrie zijn geïntegreerd. Seksespecifieke interpretaties van psychische stoornissen zijn hier professioneel uitgewerkt tot zo te zien effectieve vormen van therapie.

Zo wordt er bijvoorbeeld in gedragstherapeutische 'autonomiegroepen' vanuit gegaan dat het voldoen aan de stereotype vrouwelijke rol haaks staat op autonoom functioneren. Zo'n gebrekkige autonomie uit zich in het onvoldoende onderkennen van eigen wensen, het zich onvoldoende afgrenzen, het onvoldoende herkennen van gevoelens - wat kan uitlopen op onder meer fobische klachten. 'Sekserol-stereotypie' - vroeger in psychologen-ogen zo nastrevenswaard - wordt nu dus opgevat als zelfondermijnend, ziekmakend gedrag.

Hoewel stoelend op een ander filosofisch fundament, komen deze gedragstherapeutische doelstellingen opvallend overeen met die van 'psychodynamische' vrouwengroepen. Ook daar gaat het om de herkenning en erkenning van de eigen gevoelens en om het verwerven van autonomie door het durven aanvaarden van verschillen, grenzen en rivaliteit. Anders dan in de ouderwetse psychoanalyse draait de behandeling niet om libidineuze stadia, maar om het opsporen van afweer en innerlijk conflict. In de therapeutische interactie moeten emoties zo direct mogelijk worden beleefd, met het doel die te leren hanteren en zo paniek of depressie te voorkomen. Vooral de acceptatie van negatieve gevoelens blijkt vrouwen nog moeilijk te vallen; ze vrezen te verdrinken in een zee van tranen of te vervallen in ontembare woede.

Analytica Iki Halberstadt-Freud, in wier Electra versus Oedipus een aantal artikelen over moeders en dochters is verzameld, stelt net als Chodorow de pre-oedipale periode centraal. Haar boodschap luidt dat de band van het meisje tot de 'innerlijke moeder' levenslang blijft bestaan. Dat moet helaas vaak inderdaad als 'levenslang' worden opgevat - als vrijheidsstraf. De angst zo te worden als moeder, de angst door moeder te worden verzwolgen, de angst voor moederlijke afkeuring, ge- en verboden - ze vergallen heel wat levens, ook van op het eerste gezicht succesvolle vrouwen. Of dat nu gaat via een klef, overmatig frequent contact of via het omgekeerde (geforceerde afstand), in beide gevallen zit de dochter gevangen in een tekort aan eigenwaarde en zelfstandigheid. Halberstadt-Freud ontwaart nogal wat onzichtbare moeders, meeluisterend in een hoekje van haar spreekkamer of zelfs gezeten op de rand van het echtelijk bed. Therapeutisch is het doorwerken van de 'negatieve moederoverdracht' dan ook hoofdzaak.

Met die stellingname, het mooist verwoord in passages waar Halberstadt-Freud over haar 'gevallen' vertelt en zich even losmaakt van het analytisch jargon, bekritiseert zij de jarenlange praktijk om in navolging van Freud de kern van de neurose te zoeken in het oedipale conflict, in de verhouding derhalve tot de vader. Een praktijk waarin soms de kwellendste problematiek, de verhouding tot moeder, werd verwaarloosd. Halberstadt prefereert 'Electracomplex' boven 'pre-oedipaal' - daarin immers blijft vadermoordenaar Oedipus het ijkpunt.

De mythe van Electra, die na jarenlange wrok haar moeder vermoordde, zou de vrouwelijke psychologie eindelijk een authentiek model verlenen en de theorievorming losweken van wat niet anders kòn zijn dan de theorie van een man (Freud), die zijn eigen gevoelsleven tot uitgangspunt nam. Terecht wijst Halberstadt er ook op hoezeer Electra haar vader vereerde, terwijl hij toch een wrede moordenaar was, die ze bovendien nauwelijks had gekend. Ook hun patiëntes, zo constateren Halberstadt en diverse auteurs in Vrouwengroepen, koesteren vaak kinderlijke illusies over hun vader. Illusies omdat die vaders hun dochters' hoopvolle verwachtingen (van aandacht, liefde en steun) zelden waarmaakten. Hun 'tweede kans', na het tekortschieten van moeder, loopt voor meisjes dus vaak uit op een tweede teleurstelling. Of Duindams zorgende vaders hoop bieden is afwachten.

Populariteit

Chodorows werk heeft in Nederland een grote maar specifieke populariteit verworven. Enerzijds werd het op basis van uittreksels van uittreksels een plat argument voor deeltijdwerk en atv: paps moest thuis ook wat kunnen doen. Anderzijds werd haar theorie, in strijd met de strekking ervan, gereduceerd tot een stereotyperend verklaringsmodel voor het 'verschil' tussen vrouwen en mannen. In de feministische psychotherapie lijkt haar analyse het meest creatief benut. Een historische sociologie van sekse echter kwam hier niet van de grond.

Dat laatste komt mede doordat de Nederlandse beoefenaarsters van de sociaal-culturele en historische vrouwenstudies zich massaal wierpen op meer filosofische dan psychologische denkrichtingen, zoals het zogenaamde constructiedenken, waarin niet de vraag hoe mensen zijn of beleven aan de orde is, maar de vraag welke beelden er heers(t)en. Hield men zich nog met de psychoanalyse bezig, dan was het met de symbolische opvatting daarvan (in navolging van onder meer de Franse analyticus Lacan) en niet met de psychodynamische, interpretatieve stromingen. Chodorows theorie verloor daarmee haar appeal. Weinigen bijvoorbeeld hebben geprobeerd er wetenschappelijk onderzoek mee te verrichten.

Dat is jammer, want een historiserender kijk op de seksespecifieke karaktervorming en psychopathologie zou ons beeld verrijken. Het was Chodorows verdienste dat ze poogde 'ons' soort mannelijkheid en vrouwelijkheid te plaatsen in een cultuurhistorische context. In de behandelpraktijk verdwijnt dat naar de achtergrond waardoor het verhaal een schijn van eeuwigheid krijgt (en feminisme inderdaad therapie wordt). Toch valt op dat de cliënten waarover het in bovenbesproken boeken gaat, veelal behoren tot de generatie die typische jaren-vijftig-moeders had. En die typische jaren-vijftig-moeder was nogal erg en had het nogal erg. Overladen als zij werden met voorschriften over het juiste huisvrouw- en moederschap, ingeperkt als zij waren door arbeidsverboden en buitengewoon restrictieve opvattingen over 'plaats en wezen der vrouw', brachten deze moeders veel bitterheid, frustratie en aangepastheid op hun dochters over. Moeders machtsuitoefening was in die jaren noodgedwongen indirect en manipulatief, des dochters rebellie idem dito.

Bij adolescente meisjes van nu ziet het er op het eerste gezicht anders uit. Zij lijken bijvoorbeeld weinig moeite te hebben met voor zichzelf op te komen. Maar is dat ook zo? Of hebben ze andere problemen en zijn dochters toch nog altijd het projectiescherm van moeders onvervulde wensen en innerlijke conflicten?