De tentoonstelling knipoogt in Hasselt naar het publiek

Tentoonstelling: Openmuseum (Propositions), Provinciaal Museum, Zuivelmarkt 33, Hasselt. Di-za 10-17u., zo. 14-17u. T/m 7 september

Het gehele project heet Openstelling en bestaat uit drie delen, zoals sommige muziekstukken. Deel één liep de laatste week van juni. De Brusselse kunstenares Joëlle Tuerlinckx had de lege museumzalen onder handen genomen met licht. Dag en nacht zag je in de zalen licht aan- en uitgaan, opbloeien en wegvloeien. Ondertussen werden er filmvoorstellingen en lezingen gehouden. Vervolgens sloot het museum voor een week - dat was deel twee, Sluiting. Op dit moment loopt het derde en veruit langste deel: Openmuseum (propositions),een tentoonstelling met werk van zeventien kunstenaars.

Misschien klinkt het ingewikkeld, maar Openstelling is nu eenmaal geen gewone tentoonstelling. Het is een 'project' dat handelt over 'ruimte en tijd'. Zoiets verwacht je niet in Hasselt, een burgerstadje waar het eeuwig zondag lijkt. Je verwacht het evenmin van dit Provinciaal Museum, een museum-zonder-collectie dat tot dusver zelden uit zijn winterslaap opschrok. De nieuwe ambities hebben te maken met een nieuwe directeur, Piet Vanrobaeys. Hij ging met Tuerlinckx aan tafel zitten, en dit project was het gevolg.

Ook in dit derde deel is Tuerlinckx niet zomaar een deelnemer. Zo bleef haar lichtspel van eind juni op enkele plaatsen behouden, bijvoorbeeld in het auditorium. Voor het podium hangt een wit doek, dat net boven een monitor eindigt op een rol. De monitor toont een videofilm van Orla Barry. Een zittende vrouw leest een tekst voor, in stukjes van een paar woorden gevolgd door lange tussenpozen. Bijna elk fragment begeleidt ze met een stereotiep gebaar, een halve slag met de bovenarm, secuur als een metronoom. Plots valt licht op het doek boven de monitor, even plots valt het weer weg, en tussen de vertoningen kaatst een spervuur van lichtvlekken op het doek. Een lichtshow bijna, en wat dat betreft is het samenspel tussen Tuerlinckx en een muurvullende filmprojectie van Marijke van Warmerdam, in één van de museumzalen, subtieler. Je ziet snel verspringende filmbeelden van een leeg en vervallen interieur - doorkijkjes door deuren, afbladerende muren, trapstijlen. Wanneer plots het licht aanfloept, bleken de beelden helemaal weg. Hier sluiten beide kunstenaars goed bij elkaar aan. Van Warmerdam lijkt minder geïnteresseerd in de beelden - die duren te kort - dan in het blinde moment waarop een beeld in ons geheugen snijdt. Ook Tuerlinckx gaat het om zo'n letterlijk 'ogen-blik': haar licht lijkt wel de echo van onze blik in de tentoonstelling. Wij werpen een blik op kunst, het licht doet het ons voor. We wenden onze blik af, en ook het licht valt geregeld uit. Dat echo-effect ontregelt ons normale kijkgedrag - wie voortdurend attent wordt gemaakt op zijn manier van lopen, struikelt over zijn benen.

Er hangen ook schilderijen en vlotte foto's in Openmuseum, maar die voegen weinig toe. De beste werken zijn steevast diegene die onze verlangende blik terugkaatsen. Zoals de houten, balkvormige skeletten van Richard Venlet, met midden in de vorm telkens een lamp. Net schaalmodellen van lege ruimtes, wat een treffende metafoor oplevert voor dit museum zonder collectie. Op kleine en grote monitoren van Tuerlinckx zie je kleurtjes trillen, snel als knipperende ogen. Wij komen naar de tentoonstelling kijken, en de tentoonstelling knipoogt terug.

In twee zalen lijkt het bijna alsof de tentoonstelling zichzelf tentoonstelt. Er wordt kunst gepresenteerd en er staan vitrines, met boeken die voor de makers belangrijk waren of met documentatie rond vroegere projecten. Er ligt werkmateriaal dat voor kunst uit de tentoonstelling heeft gediend. Werken uit de jaren zeventig (On Kawara en Douglas Huebler) hangen vlak bij een leestafel met publicaties over de deelnemers. Alles wat bij een tentoonstelling komt kijken, is hier op een kleine oppervlakte in elkaar geschoven. De vergelijking met de manier waarop Tuerlinckx in haar eigen exposities de codes van de tentoonstelling manipuleert, is onontkoombaar.

Zelfs het 'historische' werk dat in de tentoonstelling is geïntegreerd, sluit opvallend goed aan bij de recente kunst. Bovenaan de trap word je opgewacht door De denkende mens (1962-63) van Michelangelo Pistoletto. Op een spiegelend vlak is rechts het uitgesneden beeld van een mannenfiguur gedrukt. Hij kijkt nadenkend naar links, zijn blikrichting kruist de onze. Wij kijken naar iemand die kijkt en nadenkt. We weten niet wat hij ziet of waaraan hij denkt. Het gevolg is dat we blijven kijken, en mettertijd ook zelf beginnen na te denken. We worden de dubbelganger van het werk.

In een filmpje uit 1969 van Guy Mees, wandelt een onzichtbare cameraman de trap op en af. Op een ander filmpje staat de camera statisch en zie je de man zelf traplopen. Het is een doelloze activiteit, een louter passageritueel. Net zoals de bijdrage van Suchan Kinoshita. Zij liet op geregelde tijden het oorverdovende geluid van een metrotrein door de zalen golven. Tussendoor is het stil, en plots krijgen we het gevoel dat we aldoor op iets hadden gewacht. Deze tentoonstelling gaat over tijd, en die tijd blijkt voortdurend een wachttijd te zijn. Wegglijdende trappen, knipogend scènelicht: we verwachten iets te zien, maar wat we zien of horen is de echo van die verwachting. We willen iets 'substantieel', maar in plaats van onze nood te lenigen, demonstreert de tentoonstelling de machinerie waarmee ze die behoefte invult. De tentoonstelling toont hoe ze werkt, uit wat ze bestaat, kortom, ze toont zichzelf: een even absurd als onontkoombaar ritueel waardoor we, om wat voor onzinnige reden ook, telkens weer gegrepen willen worden.