De strijd tegen de prostitutie; Afwerken of afschaffen

Petra de Vries: Kuisheid voor mannen, vrijheid voor vrouwen. De reglementering en bestrijding van prostitutie in Nederland, 1850-1911. Verloren, 319 blz. ƒ 49,-

In 1877 vond in Genève het eerste internationale congres tegen de prostitutie plaats. Onder de aanwezigen bevond zich de Nederlandse predikant en filantroop Hendrik Pierson. Diverse onderwerpen stonden op de agenda, maar het gezelschap was vooral bijeengekomen om zich uit te spreken tegen de zogeheten reglementering van de prostitutie: een systeem van toezicht dat in verscheidene landen bestond en dat inhield dat prostituees bij de politie ingeschreven moesten staan en zich ten minste eens per week moesten onderwerpen aan een medische keuring, waarbij zij gecontroleerd werden op geslachtsziekten. Besmette vrouwen mochten een tijd lang niet werken en waren verplicht zich te laten behandelen. De strijd tegen de reglementering was onder de bezielende aanvoering van de Engelse campagneleidster Josephine Butler uitgegroeid tot een Europese aangelegenheid en zou na 1877, via Pierson, ook in Nederland ontvlammen.

De reglementering was in ons land in de Napoleontische tijd naar Frans voorbeeld geïntroduceerd. Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 bleven de bestaande verordeningen her en der gehandhaafd, maar tot een wettelijke voortzetting is het nooit gekomen. Wel oefende de overheid halverwege de negentiende eeuw de nodige druk uit op gemeentebesturen om maatregelen te nemen, waardoor uiteindelijk tegen de veertig gemeenten een of andere vorm van toezicht op de prostitutie kenden.

De inhoud van de verordeningen verschilde van plaats tot plaats, maar het uitgangspunt was overal gelijk. De reglementering stoelde op de opvatting van de prostitutie als een noodzakelijk kwaad, een opvatting die logisch voortvloeide uit de toenmalige visie op de verschillende seksuele behoeften van mannen en vrouwen. Waar deze behoeften bij 'normale' vrouwen weinig uitgesproken zouden zijn, deden ze zich bij mannen duidelijk gelden.

De heersende mening luidde bovendien dat het niet gezond was om de mannelijke geslachtsdrift al te grote beperkingen op te leggen. Overeenkomstig deze inzichten was het gecontroleerde bordeel voor ongehuwde mannen en voor degenen die door omstandigheden zonder vrouw zaten een onmisbare voorziening, die 'fatsoenlijke' vrouwen tegen seksuele overlast beschermde en verhinderde dat mannen hun toevlucht zouden nemen tot perversiteiten. De registratieplicht zorgde ervoor dat de ontucht in bepaalde buurten geconcentreerd bleef, terwijl het medisch toezicht voorkwam dat de syfilis zich via de bordeelcliëntèle verder in de samenleving zou verspreiden en ook onschuldige echtgenotes en hun kinderen zou treffen.

Het toezicht op de prostitutie diende dus de zedelijkheid, de openbare orde en de volksgezondheid. Dat vonden althans de reglementaristen, meest afkomstig uit militaire en medische hoek. De abolitionisten die in 1877 in Genève bijeenkwamen, dachten daar radicaal anders over.

Deze 'prostitutiekwestie' vormt een fascinerend onderwerp, waar nog niet eerder een zelfstandige studie aan gewijd werd. Sinds kort voorziet Kuisheid voor mannen, vrijheid voor vrouwen, het proefschrift van de Amsterdamse docente vrouwenstudies Petra de Vries, in deze leemte. Wie een handzaam overzicht verwacht over het precieze hoe en wat van de reglementering komt bedrogen uit. De Vries heeft ervoor gekozen niet het functioneren van het toezicht, maar de opvattingen erover centraal te stellen. Ze doet dat consequent vanuit het gezichtspunt van sekse, met als gevolg dat de commotie rond de reglementering minder wordt opgevat als een confessioneel moraliseringsoffensief of als een medische controverse, dan als een strijd om, wat zij noemt, 'de herdefiniëring van sekse en seksualiteit'. Dat blijkt in dit geval een vruchtbaar perspectief.

De abolitionistische beweging in Nederland was gemêleerd van samenstelling. De bodem werd gelegd door activisten van orthodox-protestantse signatuur; zij verzamelden zich in de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie, in 1879 opgericht door Pierson, een man die zijn scherpe verstand, zijn strategische gaven en zijn retorisch talent in dienst stelde van de abolitionistische zaak. De vrouwelijke pendant hiervan, de Nederlandsche Vrouwenbond tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn kwam vijf jaar later tot stand. Al te soepel ging dat niet. Vrouwen uit orthodox-protestantse kring hadden nog maar net hun eerste schreden gezet in het filantropische werk, dus het vereiste nogal wat om zich in het openbaar over zoiets als de prostitutie uit te spreken. De hevig bewonderde Butler zelf moest eraan te pas komen om haar Nederlandse volgelingen aan te zetten tot grootsere daden dan het persoonlijk gebed. Daarin slaagde ze zeker: de Bond werd de eerste Nederlandse vrouwenorganisatie die een expliciet politiek doel nastreefde en daarnaast nog tal van praktische activiteiten ontplooide ter voorkoming van zedelijke dwalingen en ter redding van gevallenen.

Naast de christelijk geïnspireerde prostitutiebestrijders bonden ook andere groepen de strijd aan tegen de reglementering. Het verzet van medische zijde was zeker belangrijk, maar krijgt van De Vries weinig aandacht. Uitgebreider behandelt zij de visie van de socialisten, die de oorzaak van de prostitutie zochten in armoede en andere verdorvenheden van het kapitalisme. De reglementering gaf in hun ogen wellustige rijken de gelegenheid om de dochters van het proletariaat in het verderf te storten en zelf vrijuit te gaan.

Tussen de diverse geledingen in het abolitionistische front bestonden op vele punten uiteraard diepgaande verschillen van mening, maar op het vlak van de prostitutiebestrijding slaagde men er redelijk in die met de mantel der liefde te bedekken. Eensgezind waren abolitionisten vooral in hun morele aanklacht tegen de reglementering: door de ontucht op deze wijze te legitimeren droeg men bij aan de vorming van een klasse van geminachte vrouwen, die aan de laagste mannelijke lusten werd opgeofferd. Voor mannen en vrouwen dienden dezelfde eisen der zedelijkheid te gelden en dat betekende: kuisheid voor mannen. Dat seksuele onthouding schadelijk voor de gezondheid van mannen zou zijn, werd door abolitionistische groeperingen met groeiend succes betwist.

Vrouwelijke abolitionisten legden daarnaast in toenemende mate een verband tussen de prostitutiekwestie en het vrouwenvraagstuk in meer algemene zin.

De reglementering kon daarmee van meet af aan een van de punten worden waarop het radicale feminisme van de jaren negentig zich profileerde. De feministen van deze nieuwe lichting gingen aanzienlijk verder dan de vrouwen van de Vrouwenbond; zij maakten de politieke rechteloosheid en economische afhankelijkheid van vrouwen tot het centrale element in hun analyse en schroomden niet te wijzen op de parallellen tussen prostitutie en huwelijkse slavernij. Wilhelmina Drucker noemde het huwelijk ooit de meest onkiese vorm van seksuele samenleving. In haar ogen behoorden echtgenotes en prostituees tot dezelfde categorie van onderhorigen, waarbij de eerste zich verkocht tegen een vooraf bedongen prijs en voor het leven, de laatste tegen een meer variabele vergoeding.

Voor alle betrokken groepen was de prostitutie het symbool bij uitstek van onrecht en uitbuiting - de zichtbare uitdrukking van een staat die haar zedelijke plichten verzaakte, van de gehate kapitalistische produktieverhoudingen of van de maatschappelijke ongelijkheid tussen de seksen. Vandaar dat de abolitionistische bezieling zo groot was. Zij werd in 1911 uiteindelijk beloond met de invoering van een nieuwe zedelijkheidswet, waarin het drijven van een bordeel strafbaar werd gesteld. Dat werd door de abolitionisten als een overwinning gevierd, maar in hoeverre deze aan hun eigen inspanningen mag worden toegeschreven blijft de vraag. De Vries heeft nauwelijks oog voor ontwikkelingen die buiten haar onderwerp vallen, waardoor zij de historische betekenis van het abolitionisme wat overschat. Er waren vele factoren die de reglementering tot een obsoleet verschijnsel maakten, terwijl het ware abolitionistische vuur in 1911 al lang was gedoofd.

Belangrijker voor de vraagstelling van De Vries is of de prostitutiekwestie als seksestrijd succesvol was. In bepaalde opzichten was ze dat zeker. Ze verschafte vrouwen toegang tot een maatschappelijk debat, waardoor zij, als vrouwen en moeders, zeggenschap wisten te verwerven op het terrein van seksualiteit en openbare zedelijkheid, dat voorheen aan mannen voorbehouden was geweest. Dat was winst, al werd de inbreng van vrouwen in de abolitionistische beweging uiteindelijk gemarginaliseerd en al bleven zij van de politieke besluitvorming uitgesloten. Ook op ideologisch niveau werd succes geboekt: waar de prostituee rond 1875 nog algemeen gold als een veracht wezen en een bron van besmetting, waartegen de rest van de samenleving bescherming behoefde, was zij tegen 1900 geworden tot een meelijwekkend slachtoffer van de ongebreidelde mannelijke seksualiteit, die nodig aan banden gelegd moest worden. Dat was een geslaagde omkering van de reglementaristische gedachtengang, die op een ander punt echter uitbleef. De reglementering berustte op een symbolische tweedeling: ze veronderstelde èn produceerde een scheiding tussen fatsoenlijke vrouwen en prostituees. Het lukte de abolitionisten niet om deze afstand tussen 'wij' en 'zij' te overbruggen. Kuis en zondig, rein en onrein, moeder en hoer, vrij en geketend, hoe ze ook precies uitpakte, de tegenstelling bleef in alle vertakkingen van het abolitionistische denken bestaan. De feministen spraken weliswaar de taal van de solidariteit, maar ook zij slaagden er niet in de kloof die hen scheidde van hun 'zusters' te dichten, schrijft De Vries.

Dat zij hier werkelijk op uit waren lijkt echter een nogal anachronistische interpretatie van de feministische retoriek van zusterschap - daarvoor was alleen al de sociale afstand tussen beide groepen te groot. De wens om op gelijke hoogte te staan, is meer iets voor hedendaagse zaakwaarnemers van de prostitutie. Zij hebben het onverholen moralisme en de compromisloze verwerping van de prostitutie van de negentiende-eeuwse abolitionisten volledig in de ban gedaan. In de actuele discussies over de afschaffing van het bordeelverbod zou die morele inzet ook compleet uit de toon vallen. Daar gaat een ingrijpend proces van emancipatie en democratisering achter schuil. Zonder twijfel een groot goed, maar toch: wie de peilloze troosteloosheid van een hedendaagse 'afwerkplek' aanschouwt, zou willen dat er een nieuwe Pierson opstond.

    • Annet Mooij