Blanke slagbomen in een zwart strandparadijs

Het is weer tijd om het strand op te zoeken - hier of verder weg. Ook een aantal van onze correspondenten gaat deze zomer een dagje naar zee. Vandaag: American Beach, een oud vakantie-oord voor zwarte Amerikanen tussen oprukkende golfbanen.

Als een trotse godin van de zee komt Marvyne Betsch, beter bekend als The Beach Lady, te voorschijn uit haar kampeerwagen. Haar lach is wit en breed als de branding van American Beach. Op haar hoofd draagt ze een meterslange tooi. Het is haar eigen haar, vertelt ze, een kolossale paardenstaart waarvan het eerste deel verstevigd met ijzerdraad een reusachtig vraagteken vormt, terwijl ze de rest als een deken van krullerige draden onder haar linker arm met zich meedraagt. Voorzichtig, want ook de nagels van die hand groeien toe naar een notering in het Guinness Book of Records.

Betsch, een voormalige operazangeres van voor in de zestig, is verknocht aan dit kleine Amerikaanse strandplaatsje. Ze woont er het hele jaar door in haar kampeerwagen. Ze heeft er haar wortels, die vele generaties teruggaan. En ze kent er iedereen.

Aan de lange kustlijn van Florida is American Beach maar een klein stukje strand, met achter de duinen een paar honderd houten huisjes. Maar voor zwarte Amerikanen in het zuiden van de Verenigde Staten was het jarenlang iets heel bijzonders: een eigen plek aan zee.

Tot in de jaren zestig werden zwarten van de meeste stranden in het zuiden geweerd. Maar hier, op Amelia Island, een eilandje bovenaan de oostkust van Florida, konden ze in alle vrijheid een strandvakantie houden. Zwarten maakten in American Beach de dienst uit: ze bezaten de grond, de vakantiehuisjes, de restaurants en de motelletjes. Van heinde en ver kwamen de Afro-Amerikaanse vakantiegangers hier naartoe, voor het strand en de zee, voor de feesten en de picknicks die er werden gehouden, en niet in de laatste plaats voor het vertrouwde gezelschap. Velen kwamen jaar-in-jaar-uit terug. Musici als Ray Charles, Cab Calloway en James Brown waren regelmatige bezoekers en gaven er concerten. De schrijfster Zora Neale Hurston deed er volksverhalen op.

Nog altijd vormen het brede strand en het tussen de bomen verstopte dorpje een kleine, zwarte enclave in de blanke omgeving. Maar na meer dan een halve eeuw staat het voortbestaan van dit stukje zwart cultureel erfgoed op het spel. Projectontwikkelaars kopen steeds meer grond in en om de kleine strandgemeenschap op - voor de aanleg van exclusieve bungalowparken, golfbanen en luxe hotels voor een hoofdzakelijk blank publiek.

“Maar we geven niet op”, zegt Marvyne Betsch, The Beach Lady, strijdvaardig. “Dit is ons paradijs. Sinds de slavernij hebben we veel vernederingen gekend, maar hier hebben we plezier gemaakt. Hier zijn we geen tragische negers, hier zijn we onszelf.”

Betsch is een nazaat van de excentrieke slavenhandelaar, grootgrondbezitter en schrijver Zephanaiah Kingsley, die hier in de buurt twee eeuwen geleden vier plantages had en meer dan 200 slaven. Hij was getrouwd met een voormalige slavin, een vrouw uit Senegal, en liet haar een belangrijk deel van zijn bezit na. “Maar daar is niets meer van over”, zegt Betsch schaterend. Ze is ook een achterkleindochter van de succesvolle zwarte zakenman Abraham Lincoln Lewis, die American Beach in 1935 stichtte als vakantie-oord voor de werknemers en aandeelhouders van zijn verzekeringsmaatschappij, The Afro-American Life Insurance Company. Het bedrijf moedigde zijn employés aan om stukjes grond en huisjes te kopen. Ook andere leden van de zwarte middenklasse kochten zich in: onderwijzers, artsen en advocaten. En in de jaren veertig, toen de grondprijs daalde, konden ook arbeiders zich de aankoop van een stukje American Beach veroorloven.

De beste gids in American Beach is Marsha Dean Phelts, bibliothecaresse van een lagere school in het naburige Jacksonville en schrijfster van een geschiedenis van het strandplaatsje, deze zomer verschenen onder de titel An American Beach for African Americans. Als Phelts door het rulle zand de top van het hoogste duin heeft bereikt, wijst ze op een paar happers en bulldozers die bezig zijn een stuk bos weg te vreten. “Onze zuiderburen zijn aan het uitbreiden: een luxueus vakantie-oord dat alleen toegankelijk is voor leden. Ze staan volledig in hun recht, ze hebben de grond eerlijk gekocht van zwarte gezinnen. Maar ze schermen hun terrein af met grote hekken en slagbomen, zodat wij niet vergeten wat onze plaats is. En dat steekt. Wij zijn daar niet welkom, terwijl zij wèl voortdurend ònze rust verstoren.”

De onderneming die het kapitale vakantiepark exploiteert heet de Amelia Island Plantation - in American Beach heeft men het met een knipoog naar de slaventijd kortweg over de Plantation. Om de rust van zijn vakantiegangers niet te verstoren heeft het bedrijf niet op het eigen terrein, maar in het hart van American Beach een gebouw neergezet voor de huishoudelijke activiteiten die lawaai en andere overlast met zich mee brengen. Vrachtwagens met voedsel rollen er de hele dag af en aan.

“Het is ergerlijk, maar American Beach heeft meer tegenslagen overleefd”, zegt Phelts nuchter. “Toen in 1964 bij wet een einde werd gemaakt aan de rassenscheiding, betekende dat voor American Beach bijna de ondergang. Ik noem het de ironie van de burgerrechten. Nu alle stranden voor zwarten toegankelijk waren, wilden veel van onze trouwe vakantiegangers eindelijk wel eens naar Miami Beach. Er kwam hier een ware leegloop op gang. Veel huizen werden verkocht aan kopers die niet zwart waren en zich hier ook nooit vertoonden: ze zagen er alleen een belegging in. Pas in de jaren tachtig keerde het tij, toen veel baby boomers die hier vroeger als kind waren geweest terugkwamen als volwassen kopers en huizenbouwers.”

Maar of die nieuwe generatie genoeg hart heeft voor American Beach om het strandplaatsje van de ondergang te redden, is nog maar de vraag. Er zijn zoveel alternatieve vrijetijdsbestedingen en vakantiebestemmingen, dat American Beach allang niet meer de hele zomer een drukke en bruisende gemeenschap is. Op een vrijdag midden in juli heerst er grote rust aan het strand. Ook in de zanderige straatjes is het stil. Op het overdekte terras van Ocean Rendezvous, het enige café dat nog niet op de fles is, heeft de warme wind het rijk alleen. Alleen 's zondags is het café nog open.

In een tijd waarin steeds meer zwarten in Amerika zich afvragen of integratie nog wel een haalbaar of zelfs aantrekkelijk doel is, zou de belangstelling voor een aparte zwarte badplaats groot moeten zijn. Een groeiend aantal zwarten uit de middenklasse kiest er immers ook voor om te wonen in een zwarte buitenwijk, of om de kinderen op een zwarte school te doen. Maar het dorpse, wat ouderwetse karakter van American Beach spreekt niet iedereen aan. Ingeklemd tussen de Plantation in het zuiden en het Ritz-Carlton Hotel met een park vol bungalows in het noorden, heeft het zijn identiteit verloren. Tegelijk ontbeert het ook de gemakken van de moderne Amerikaanse strandplaats, die de welgestelde buren wel hebben: een zwembad achter de duinen, golfbanen en andere kortgeschoren gazonnen, exclusieve restaurants en een supermarkt die dagelijks verse internationale delicatessen op de schappen heeft.

Marsha Phelts zit met haar zesjarige kleinzoon op haar veranda, die versierd is met schelpen, een pop van Uncle Sam en een kleine Amerikaanse vlag. Iedereen die voorbij komt groet en maakt even een praatje. Een buurman vertelt aangeslagen dat hij zojuist op de weg een ratelslang heeft gezien, die overreden werd door een vrachtwagen met bouwmaterialen op weg naar de Plantation. Een vriendin die tot de veteranen van American Beach hoort, informeert naar de nieuwbouw van het naburige vakantie-oord. “Komt er ook een supermarkt?”, vraagt ze hoopvol. Phelts zucht, slaat haar ogen ten hemel en zegt dan met een volle lach:“Ongetwijfeld. Maar niet voor ons, slimmerd.”