Barok voor boeren en vissers; De gouden eeuw van Sleeswijk-Holstein

Sleeswijk-Holstein was eeuwenlang een onbeduidend landje, tot hertog Friedrich III in de zeventiende eeuw er de barok introduceerde. Hij bouwde een stad en richtte in zijn slot Gottorf een 'Kunstkammer' in, met beelden uit Egypte, schilden uit de Molukken, knotsen uit Brazilië en borden uit Delft.

Gottorf im Glanz des Barock. Kunst und Kultur am Schleswiger Hof, 1544-1713. In het Landesmuseum Slot Gottorf in Sleeswijk, tot 19 oktober. De vier delen van de catalogus kosten tezamen 120 DM, maar zijn ook afzonderlijk verkrijgbaar.

Wanneer in de zeventiende eeuw een wet op het cultuurbehoud had bestaan zou die eeuw niet als van goud, maar als van platina te boek hebben gestaan. Wat een topstukken aan schilderijen en toegepaste kunst, wat een verzamelingen zouden dan nu nog te zien zijn geweest. Maar kunst was handel en dat was destijds al helemaal geen overheidszaak. Talloze culturele aderlatingen zijn bekend, vooral op het gebied van schilderkunst en tekenkunst. Een minder bekende transactie vond plaats in 1651. Toen werd, in Enkhuizen, een van de belangrijkste collecties van Europa opgekocht door hertog Friedrich III van Sleeswijk-Holstein-Gottorf. Dit was geen kunstverzameling, maar een enorme collectie naturalia en etnografica, gedurende zo'n dertig jaar bijeengebracht door de Enkhuizer arts Bernardus Paludanus. Deze Paludanus, die al in 1630 was overleden, had in zijn jonge jaren langdurig rondgereisd in het Nabije Oosten, in Egypte, Italië en Duitsland. Op de terugweg bezocht hij de belangrijkste vorstelijke collecties in steden als Rome, Wenen, Praag en München en bestudeerde hij de verzamelingen van artsen en apothekers in Italië waar het accent vooral op botanie en zoölogie lag. Eenmaal gevestigd in Enkhuizen breidde hij de verzameling die hij op zijn reis had samengesteld uit tot enorme omvang. Hij bezat tientallen kasten die waren onderverdeeld in schuifladen met vakjes, Daarin lagen de naturalia opgesteld, gedroogde planten en zaden, schelpen, koralen, gesteentes, kleurstoffen en medicijnen, terwijl de wanden behangen waren met opgezette dieren, gedroogde vissen, huiden. De etnografica bestonden uit wapens, kleding, siervoorwerpen uit Brazilië, Noord-Amerika, West-Afrika, Indonesië, China en Japan.

Decennialang was deze collectie een topper voor geleerden en vorstelijke bezoekers die te paard, in karossen of per schip naar Enkuizen trokken om dit wereldwonder te aanschouwen. Het gastenboek van dokter Paludanus is bewaard gebleven en bevat de handtekeningen en opdrachtversjes van duizenden bezoekers. Na zijn dood heeft de collectie achttien jaar te koop gestaan en het is een raadsel waarom geen Nederlander hem gekocht heeft. De opgezette krokodillen en slangen, de schelpen en koralen zouden na drieëneenhalve eeuw waarschijnlijk tot stof en gruis zijn vergaan, maar ons land zou nu wel een van de oudste volkenkundige verzamelingen ter wereld hebben bezeten.

Antiquarius

Maar de hele zaak werd in 1651 ingepakt en naar Gottorf verscheept. Dit werd de kern van de 'Gottorfische Kunstkammer', waarvan de bibliothecaris van hertog Friedrich III, Adam Olearius, de 'antiquarius', de conservator werd. Hij schreef er een uitvoerige, geïllustreerde catalogus bij, die het mogelijk maakt een indruk te krijgen van de collectie en van de denkbeelden die men destijds had over kunst en natuur.

De collectie Gottorf werd later naar Kopenhagen gevoerd, maar is nu tijdelijk, op de grote tentoonstelling Gottorf im Glanz des Barock, weer opgesteld. We zien Egyptische beeldjes, schilden uit de Molukken, knotsen uit Brazilië, Westafrikaanse schortjes en Javaanse krissen, die ooit in het curiositeitenkabinet van de geleerde dokter van Enkhuizen stonden opgesteld en die alle functioneerden als een representant van de culturen die in de vroege zeventiende eeuw in de wereld bekend waren.

Sleeswijk-Holstein is een land dat met zijn uitgestrekte weilanden, zijn boerderijen, bomen en koeien, hekken en sloten, voortdurend aan Nederland doet denken. Wie hier suffend per auto rondtoert, verwacht voortdurend een afslag Meppel of Bolsward. Die Nederlandse sfeer gaat nog veel verder dan het landschap alleen. In de zestiende en zeventiende eeuw is dit gebied door Hollanders min of meer cultureel gekoloniseerd.

De staatkundige geschiedenis van het gebied is gecompliceerd. Sleeswijk was een hertogdom onder Denemarken, Holstein viel onder de Duitse keizer en beide gebieden bestonden weer uit niet aan elkaar gelegen lappen land. De hertogen van Sleeswijk-Holstein wisten zich een speelbal van de internationale noordelijke grootmachten Denemarken en Zweden en slaagden er lang in om, met wisselend succes en soms zeer vernederend, hun zelfstandigheid te behouden. In 1712 lijfde Denemarken het hertogdom in en anderhalve eeuw later zou Bismarck het op zijn beurt met geweld bij Pruisen voegen.

Juist die zeventiende eeuw moet de gelukkigste periode van het hertogdom zijn geweest, dat straalt Gottorf im Glanz des Barock uit. Dat was te danken aan hertog Friedrich III (1597-1659), die dan ook een centrale plaats op de tentoonstelling inneemt. Hij was een ontwikkeld man die behalve Duits ook het Frans en Latijn beheerste en die Grieks en Hebreeuws kon lezen. Op zijn Grand Tour kwam hij niet verder dan Zuid-Frankrijk, omdat zijn vader overleed en hij overhaast moest teruggkeren. Hij was negentien jaar toen hij de troon besteeg en Italië heeft hij nooit gezien. Met een ongelofelijke energie heeft deze vorst tijdens zijn 43-jarige regeerperiode aan de economische en culturele bloei van zijn land gewerkt. Vooral na 1648, toen er in Europa dankzij de Vrede van Westfalen een periode van stabiliteit aanbrak en na de vele oorlogen aandacht aan de cultuur besteed kon worden. Toen nam, om in de termen van die tijd te blijven, Minerva de macht over van Mars.

Verheffing

Het hertogelijk slot Gottorf bij de stad Sleeswijk was het brandpunt van alle hertogelijke activiteiten. Het is een groot witgepleisterd slot met een achttiende-eeuws uiterlijk. Na een eeuw lang als Duitse kazerne te hebben gediend kreeg het uitgewoonde complex in 1947 de gelukkige bestemming van Landesmuseum. Omdat dit een halve eeuw geleden is en omdat hertog Friedrich III 400 jaar geleden werd geboren is deze grootscheepse tentoonstelling georganiseerd. En waar men ook kijkt, telkens ontdekt men de sporen van een energiek bewind dat niet op territoriale of koloniale macht uit was, maar op voorspoed en culturele verheffing van het eigen land, temidden van Europese staten die elkaar op leven en dood bevochten. Al is Sleeswijk-Holstein geen eiland, het heeft verdacht veel weg van een zeventiende-eeuws cultureel Utopia.

Wat opvalt zijn de invloeden uit Nederland. Dat begint al direct aan het begin van de tentoonstelling waar zaal na zaal de pronkstukken uit de hertogelijke kunstkamer staan uitgestald. De voorvaderen van hertog Friedrich III hadden al volop schilderijen in hun vertrekken en ook aan kostbare gobelins, meubilair en eetgerei was geen gebrek, maar dit alles was kunst met een praktische dagelijke functie. Dat is iets anders dan wanneer men kunst in een aparte ruimte presenteert als museale kunst, louter om er naar te laten kijken. Friedrich besloot zijn landje in versneld tempo cultureel op te waarderen. Hij had een staf van wetenschappelijke en kunstzinnige adviseurs om zich heen waarvan de belangrijkste zijn bibliothecaris Adam Olearius was. Met Olearius kon hij dan ook de plannen uitvoeren om een werkelijke Kunstkammer, een privémuseum van internationale allure op te zetten. De hele collectie Paludanus, maar ook alle andere aanwinsten werden opgesteld in het gothische gewelf op de benedenverdieping van slot Gottorf. Het heeft daar staan schitteren, waarschijnlijk belicht door lantaarns, wat aan de vaak uitheemse materialen en voorwerpen een extra exotische dimensie verleende. Hoewel de tentoonstelling die geheimzinnigheid niet meer kan evenaren, verwend als we zijn door zoveel musea, catalogi en kunstboeken, komt men toch onder de indruk van de veelzijdigheid van wat Friedrich verzameld heeft.

Na de etnografica vervolgt de tentoonstelling langs een schitterende reeks kunstwerken die naar materiaal staan opgesteld. Een grote sectie is gewijd aan voorwerpen van ivoor. Vooral de hoge bokalen waren in trek, een soort pinakels uit één stuk, gesneden en gedraaid, van op elkaar gestapelde transen, spiralen, sterren, kronen en van opengewerkte ballen, waarin zich weer een andere bal bevindt waarin er weer een in zit, enzovoort enzovoort. Even vernuftig als nutteloos maniërisme. Er staat een klok van ivoor, er zijn potretten van ivoor en verderop lonken objecten van marmer, goud, zilver, koper, hout, koraal, bergkristal, porselein en andere materialen waarin de kunstenaar vorm gaf aan natuurlijke materialen en zo als het ware wedijverde met de natuur.

Een volgende zaal gaat in op een verzameling schilderijen van Lucas Cranach die uit Saksen was meegenomen door de echtgenote van Friedrich III, een dochter van de hertog van Saksen, met voorstellingen uit het Oude Testament, portretten van Saksische vorsten en van de hervormers uit de kring van Luther. Andere zalen zijn gewijd aan Nederlandse schilderijen: een verdienstelijke doorsnee van landschappen, portretten, stillevens en zeegezichten. De adviseur voor schilderkunst, de hofschilder Jurriën Ovens, afkomstig uit Sleeswijk, had zijn opleiding genoten in Amsterdam, volgens sommigen bij Rembrandt. Hij kreeg opdrachten voor portretten van het Amsterdamse patriciaat en werkte ook voor het nieuwe Amsterdamse stadhuis. Van hem hangen er tientallen werken, vooral portretten van de hertogelijk familieleden en hofdignitarissen. Het zijn portretten van een vol popperig soort barok. Ovens had een sterke voorliefde de vrouwen te vereeuwigen in een Caritasvoorstelling: mollige moeders in ritselend satijn met licht onblote boezem die kloeksgewijs blozende kinderen onder hun hoede hadden.

De Nederlandse invloed is ook waar te nemen in het meubilair, in de tegels, in de wandtapijten en in het Delfts aardewerk. Zaal na zaal staat vol met deze voorbeelden van toegepaste kunst, soms wat boers nagevolgd door Noordduitse handwerkslieden. Het aardige is dat ook het authentieke interieur van slot Gottorf zelf aan de tentoonstelling meedoet. Eikenhouten plafondbalken zijn gedecoreerd met bloemmotieven of allegorische voorstellingen, andere plafonds zijn gestuct of voorzien van beschilderde houten cassetten.

Jachtzaal

Van een aantal ruimtes is de oorpronkelijk functie weer benadrukt zoals van de keuken en van de jachtzaal met levensgrote fresco's van herten die half uit de muren naar voren komen. De kop van het centrale hert boven de haard loopt uit in een werkelijk gewei. De slotkapel met zijn rijke houten betimmering met renaissance-motieven is een zelfstandig wonder.

De exotische belangstelling van Friedrich III bleef niet beperkt tot de etnografische voorwerpen uit de collectie Paludanus. In de jaren dertig ontwierp Friedrich een commercieel masterplan. Hij wilde directe handelscontacten aanknopen met Azië om zo een aandeel in de zijdehandel te verkrijgen. Niet over zee, het was onmogelijk om tegen de Nederlanders en Engelsen te concurreren, maar over land. Hij bereidde daartoe een gezantschapsreis voor naar Moskou en vandaar naar Perzië. Het is tekenend voor Friedrich dat hij voor dat gezantschap niet alleen commerciële specialisten uitkoos, maar ook wetenschappelijk geschoolde adviseurs. De reis duurde jaren, van 1633 tot 1639. Een een van de deelnemers was de al genoemde Olearius. Hij ging als gezantschapssecretaris en zou later een uitvoerig reisverslag publiceren waarin hij zowel de Russische als de Perzische ervaringen vastlegde. Commercieel gezien leverde de reis niets op, maar wetenschappelijk wel. Het boek was een groot succes en Olearius knoopte in Ispahan vriendschappelijke betrekkingen aan met Perzische geleerden van wie hij de beginselen van het Perzisch leerde. Terug in Gottorf kon hij dan ook ook een vertaling maken van de werken van de dichter Saadi, de Persianische Rosenthal.

Wie na de overvloed aan voorwerpen nog de kracht heeft de vierdelige catalogus door te werken moet zich wel verbazen over de onmetelijke energie waarmee de hertogen van Sleeswijk-Holstein, in de eerste plaats Friedrich III, hun landje in zo'n korte tijd voorzien hebben van de glans van de barok. Een landje dat voornamelijk bestond uit boeren en vissers en dat zijn inkomsten kreeg uit niet veel meer dan belastingen en tolheffingen. De hertogen gaven opdrachten tot inpolderingen en tot de bouw van steden. Al in 1621 was er al een complete stad uit de grond gestampt: Friedrichstadt. Hertog Friedrich hoopte hier een handelsstad te kunnen vestigen die met Hamburg kon concurreren en lokte daarom met aantrekkelijke privileges Nederlanders naar het noorden, vooral remonstranten die hij geloofsvrijheid bood. Die stad kwam er en staat er nog steeds. Het is een systematisch, volgens een stramien van elkaar loodrecht snijdende straten ontworpen stadje dat nog geheel in tact is en die ook al weer zo'n Nederlandse sensatie geeft. Dankzij de combinatie van kleine grachten, IJsselsteentjes, trapgevels, kruiskozijnen en schoongeboende stoepen, waant men zich tegelijk in Middelburg, Edam en Franeker.

Zonder commercie geen kunst, maar ook geen kunst zonder wetenschap. Friedrich legde een omvangrijke hofbibliotheek aan, waarvoor Olearius de bestellingen deed bij uitgevers in Hamburg, Leipzig en Nederland. Ook wist hij zeldzame handschriften te verwerven. Om niet achter te blijven bij andere Duitse vorstendommen besloot Friedrich ook tot de oprichting van een universiteit. Dat werd Kiel. De universiteit werd ingewijd in 1665 door zijn zoon Christian Albrecht, naar wie deze universiteit ook werd vernoemd.

Waterwerken

Ook in andere sectoren van het culturele leven was hertog Friedrich actief. Hij richtte een schouwburg op, haalde musici naar het noorden, hij liet tuinen aan en stimuleerden daar het botanisch onderzoek. Een van de meest curieuze plannen in de slottuin, naast een doolhof, waterwerken, en een gigantisch marmeren beeld van Hercules was de bouw van een reuzenglobe in een speciaal daarvoor ontworpen huis. In dit stenen gebouw van twee verdiepingen werd een reuzenglobe van drie-en-eenhalve meter doorsnee opgesteld. Aan de buitenkant was het een aardglobe waarop men de nieuwste ontdekkingen kon zien. De globe was hol en bood plaats aan zes tot zeven personen, die daar op hun gemak naar de binnenzijde konden kijken waar de sterren en planeten waren geschilderd. Het wonderbaarlijke was dat het hele geval kon draaien. Een kunstmatig aangelegd beekje leverde de nodige waterkracht die de aardas liet draaien, zodat degenen die binnen zat langzaam de hemel konden zien veranderen.

Met terugwerkende kracht heeft deze hele Holsteinse bloeiperiode iets vergeefs. Kort na de dood van Friedrich III begon de Deense koning de druk op te voeren. Sleeswijk-Holstein zocht noodgedwongen steun bij de Deense aartsrivaal Zweden, maar het kon een Deense bezetting uiteindelijk niet verhinderen. In 1712 bezette Denemarken Sleeswijk. Holstein bleef nog autonoom was maar was staatkundig tot gereduceerd tot een machteloos en versnipperd dwergstaatje. Dit was het definieve einde van de glans der barok in dit bijzondere deel van Europa. Denemarken sleepte alle kunstschatten naar Kopenhagen, waar ze nog steeds zijn, verspreid over verschillende musea. Het is voor het eerst dat een belangrijke selectie nu weer terug is op de plaats waar Olearius ze had opgesteld. De reuzenglobe werd geschonken aan tsaar Peter de Grote en op karren naar Sint Petersburg vervoerd waar hij een ereplaats kreeg in de nieuwe Kunstkamera. Hij staat tegenwoordig opgesteld in het Lomonossow Museum in Sint Petersburg, beschadigd door brand en slechte restauraties. De tuinen bij het slot zijn al lang verwaarloosd. Het globe-huis werd afgebroken, maar er gloort hoop. Dankzij archeologisch en archivarisch onderzoeks is precies bekend hoe de tuin er heeft uitgezien en hoe de globe was geconstrueerd. Reconstructie is dus mogelijk en het zou een extra attractie voor dit toch al zo fascinerende slot Gottorf zijn wanneer hier het oudste planetarium ter wereld weer zou herrijzen.