DORA MAAR 1907-1997; Duivelse verleiding

Na de Guernica en Les demoiselles d'Avignon is het waarschijnlijk het beroemdste schilderij van Picasso: Huilende vrouw uit 1937. En dat is niet zo vreemd: zelden zal iemand hartstochtelijker hebben gehuild dan Dora Maar op dit doek.

Haar gezicht, omgeven door heldere kleuren, is verwrongen van verdriet, de tranen kleven aan haar ogen als meeldraden aan een bloem. Een gruwelijk portret is het, vooral omdat Picasso ervoor koos Maars leed te schilderen, waar hij haar ook had kunnen troosten. Naar gisteren bekend werd is Maar op 16 juli, zestig jaar na het ontstaan van dit klassieke schilderij, op negentig-jarige leeftijd overleden in het dorpje Clamart ten zuiden van Parijs.

Hoe wreed Huilende vrouw ook lijkt, het doek was tekenend voor de relatie tussen Picasso en Dora Maar. Henriette Markovitch, zoals ze werkelijk heette, werkte als fotograaf en schilder in het spoor van de surrealisten, toen ze Picasso in 1936 in café Les Deux Magots ontmoette. De verhalen over die ontmoeting zijn mythisch - zo beschrijft Françoise Gilot, Maars opvolgster als minnares van Picasso, in haar biografie hoe Maar het café binnenkwam, met zwarte handschoenen aan haar handen. Ze ging zitten, trok de handschoenen uit en pakte een lang, puntig mes dat ze in hoog tempo in de tafel begon te drijven, tussen haar uitgestrekte vingers in - af en toe miste ze, zodat ze daar zat met bloedende handen. Hoe apocrief dit verhaal ook moge zijn: het past in het beeld van de donkere, mysterieuze schoonheid waarop zelfs Picasso geen grip kon krijgen. In een gedicht uit 1937 beschreef hij haar als een 'duivelse verleiding, gehuld in een masker van tranen en een schitterende hoed'.

Wat Maars karakter ook was; naar haar schilderde Picasso een aantal van zijn fascinerendste portretten, zoals Dora Maar zittend (1937), De gele trui (1939) en Vrouw in het groen (1944). Ze werden ook steeds gruwelijker: op de doeken uit 1936-'38, werd Maar soms droevig of huildend afgebeeld, later transformeerde Picasso haar tot een vrouw met hondenkop vastgenageld aan haar stoel, of zelfs als kadaver. Voor critici golden deze portretten als symbool voor de gruwelen tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar haar 'symboolfunctie' zal Maar zelf niet koud hebben gelaten. Na de scheiding met Picasso in 1945 begon ze te lijden aan depressies en trok ze zichzelf steeds meer terug. Af en toe exposeerde ze haar foto's, waaronder een aantal van Picasso, schilderend aan zijn Guernica, maar daarbij hield ze het gevoel dat ze niet de erkenning kreeg die ze verdiende. Van Picasso hoefde ze niet veel steun meer te verwachten, zo bleek uit een opmerking die hij in 1945 tegen André Malraux maakte over zijn voormalige geliefde: “Dora was voor mij altijd een huilende vrouw. (-) En als ik een vrouw in een leunstoel schilder, betekent dat ouderdom of dood. Pech voor haar.”