Servische krijgsheren slaan op de vlucht voor Operatie Tango; Beetje misdaad, beetje eerlijkheid

Met Operatie Tango heeft de VN-vredesmacht een bres geslagen in het zelfvertrouwen van de Bosnisch-Servische oorlogsmisdaders. Ze vluchten naar Servië of verschansen zich in de Servische enclaves Prijedor en Doboj. De omstreden president Plavsic stijgt door haar anticorruptiecampagne Regel is te breed voor uitvullen/afbreken in aanzien, want de Serviërs zijn het wangedrag van de elite beu.

Het is een spannende week voor oorlogsmisdadigers in Bosnië. Rond het chalet van de voormalige Bosnisch-Servische president Radovan Karadzic in Pale patrouilleren slechts een stuk of zes politie-agenten.

Waarschijnlijk is hun baas even van huis. Het gerucht gaat dat Karadzic is ondergedoken in het atoombestendige bunkercomplex bij het dorpje Han Pijesak.

Daar doodt de Servische generaal Ratko Mladic al langer zijn tijd met jachtpartijen in de dennenbossen en het fokken van geiten.

Anderen houden het erop dat Karadzic elke nacht in een ander huis slaapt.

Milan Martic, eens de beruchte leider van de Servische Krajina, is deze week niet gesignaleerd in zijn villa in Banja Luka. Onlangs liet hij zich filmen op de achterbank van zijn Mercedes, die arrogant tussen konvooien van de NAVO-vredesmacht SFOR laveerde. Martic is nu uitgeweken naar de Servische stad Zenum. Eenzaam zal hij daar niet zijn: de afgelopen week kwam er een kleine exodus van gezochte oorlogsmisdadigers naar het veilige Servië op gang. De Servische Republiek in Bosnië lijkt zich deze week achter haar oorlogsmisdadigers te scharen: ze zijn het enige dat de natie op dit moment bijeenhoudt.

Ook in de Kroatische republiek Herzeg-Bosna heerst enige nervositeit. Recentelijk zou Mate Boban, politiek leider van de Bosnische Kroaten in de bloedige oorlog van 1993-1994 tegen de moslims, gestorven zijn aan een hersenbloeding. Sommigen denken dat hij is vermoord omdat hij te veel weet, anderen betwijfelen of hij überhaupt is gestorven - de kist bleef op zijn begrafenis discreet gesloten. Dario Kordic, de vroegere militaire leider van de Bosnische Kroaten, zou Kroatië met onbekende bestemming hebben verlaten. “Het is een gouden tijd voor plastisch chirurgen”, zegt een diplomatieke bron in Sarajevo.

'Operatie Tango', de SFOR-actie die leidde tot de dood van de vermeende Servische oorlogsmisdadiger Simo Drljaca en de aanhouding van zijn collega Milan Kovacevic in Prijedor, heeft een bres geslagen in het zelfvertrouwen van de helden van de etnische zuiveringen. Met name in het Kroatische en Servische deel van Bosnië hielden zij de afgelopen twee jaar de touwtjes strak in handen. Ze blokkeerden de uitvoering van het vredesakkoord van Dayton, maar SFOR trad nauwelijks tegen hen op. Sterker nog: om de lieve vrede te bewaren, dreef men vaak handel met deze door moord en plundering rijk geworden krijgsheren.

Nu bevindt Bosnië zich op een keerpunt. Sommige Westerse media zien in Operatie Tango een begin van werkelijke vrede in Bosnië. Hierna is het de beurt aan de 'grote vissen' Radovan Karadzic en Ratko Mladic, schreven de Britse kranten hoopvol. 'Dracula is dead. Now for the real demon', kopte de Observer. Anderen zien Operatie Tango als een halve mislukking: bij het volk was geleidelijk een protestbeweging ontstaan tegen de corruptie van de heersende kliek in de Servische Republiek, maar de dood van Drljaca heeft die voorlopig in de kiem gesmoord. In de Servische enclave Doboj zegt de zeer populaire oorlogsheld kolonel Milovan Stankovic, die het oppositieblad Alternativa leidt: “De mensen in Doboj weten dat de bazen hier misdadigers zijn. Maar als de VN de jacht op oorlogsmisdadigers voortzetten, schaart iedereen zich weer achter hen.”

Rustieke barbecue

De Britse pers raakte deze week niet uitgeschreven over de 'perfect uitgevoerde operatie' in Prijedor. Maandenlang werd Drljaca gevolgd door SAS-commando's en Servisch sprekende agenten van de 14th Intelligence Company. Zij ontdekten dat hij vrijwel dagelijks in zijn camper naar een meertje bij kamp Omarska reed om daar te vissen met zijn zoon Sinisa en zwager Spiro Milanovic. Vier dagen voor de actie groeven SAS-commando's zich rond het meer in, vorige week donderdag rond half tien 's ochtends sloeg SFOR toe. Drljaca had gerekend op een rustieke barbecue; naast een houtskoolvuurtje stonden de vis, tomaten en komkommer al klaar. Drie Britse SFOR-soldaten liepen op het gezelschap af terwijl zeven soldaten in dekking lagen. Drljaca opende het vuur, schoot een soldaat in zijn been en stierf zelf enkele seconden later.

De lijkschouwer vond drie kogels in zijn zij en één in zijn borstkas.

Enkele kilometers verderop liep een SFOR-eenheid met een verbanddoos onder de arm het ziekenhuis van Prijedor binnen en vroeg om een onderhoud met dokter Kovacevic, directeur van het ziekenhuis en een van de architecten van de etnische zuivering. Kovacevic liet zich zonder verzet naar Den Haag afvoeren.

Prijedor is door een NAVO-woordvoerder vorig jaar “het klassieke geval van tegenwerking” genoemd. Nergens werd de uitvoering van het Dayton-akkoord met zoveel succes geblokkeerd als hier. In 1992 vormden politiechef Drljaca en dokter Kovacevic de spil van het Servische 'crisiscomité' dat in Prijedor de macht greep, de elite van de moslims en Kroaten uitmoordde en de rest in de kampen Omarska, Keraterm en Trnopolje bijeendreef. In die kampen hadden wreedheden plaats op een schaal die Europa sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer had gezien.

Systematische verkrachting, mishandeling, uithongering en moord, zonen die de testikels van hun vader moesten afbijten of als honden motorolie moesten oplikken: politiechef Drljaca organiseerde het allemaal. Toen de Westerse media er in augustus 1992 lucht van kregen, distantieerde president Karadzic zich haastig van het werk van zijn ondergeschikte.

Ondanks dit minpuntje op zijn conduitestaat bleef het Drljaca tijdens en na de oorlog voor de wind gaan. Hij werd mede-eigenaar van bouwbedrijven, hotel Prijedor, restaurant Aeroclub en een parfumerie. Hij had een stem in alle publieke bedrijven. Hij bepaalde wie een huis kreeg en hoeveel smeergeld daarvoor betaald moest worden. Elke lokale zakenman betaalde 'Meneer Tien Procent' beschermingsgeld. Politie en georganiseerde misdaad waren in Prijedor niet van elkaar te onderscheiden.

Het Dayton-vredesakkoord van 1995 vormde voor de Prijedor-mafia derhalve een ernstige bedreiging. Herintegratie, de terugkeer van vluchtelingen, het opsporen van oorlogsmisdadigers: het bracht de nieuw verworven macht en rijkdom in gevaar.

Dus zorgde Drljaca ervoor dat de Britse en Tsjechische IFOR-troepen (later SFOR) nooit een serieus begin konden maken met de uitvoering ervan. Als moslims het plan opvatten hun oude dorpen te bezoeken, sloot Drljaca alle bars en cafés in Prijedor en riep de burgers via de lokale radio op zich te verzetten tegen 'de invasie van islamitische fanatici'. De moslims vonden dan steevast een woedende menigte stenengooiers op hun pad. Ook zorgde Drljaca ervoor dat de internationale politiemacht IPTF niets te zeggen kreeg over zijn politie. Incident volgde op incident, totdat zijn mannen in september een Tsjechische patrouille beschoten.

Daarna moest Drljaca zijn commando opgeven. Dat veranderde niets in de machtsverhoudingen, want de Balkan kent een lange traditie van zetbazen en heersers in de schaduw. Na zijn ontslag kreeg Drljaca bovendien een mooie baan bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Als onderminister van logistiek mocht hij gezochte oorlogsmisdadigers aan een baan bij de politie of aan valse identiteitspapieren helpen.

De internationale gemeenschap besloot vorig jaar dat het maar het beste was de machtige politiechef af te kopen. Het Overseas Development Agency (ODA), dat onder de Britse regering valt, investeerde in de reconstructie van scholen en gemeenschapsgebouwen rond Prijedor. Bedoeling was het werk uit te besteden aan privébedrijven, niet aan de publieke bedrijven die werden gecontroleerd door Drljaca's mafia.

Maar werknemers van de aannemers werden bedreigd en bedrijven die werkten voor ODA hadden de neiging 's nachts in brand te vliegen. Dus sloot SFOR een compromis: een percentage van de opdrachten ging naar Drljaca, zolang hij andere aannemers maar met rust liet.

Roverstaat

Prijedor vertoont in het klein alle kwalen waaraan de Servische Republiek in Bosnië lijdt. De Servische Republiek is een roversstaat, geregeerd door een corrupte kliek politici onder leiding van ex-president Karadzic en zijn rechterhand Krajisnik. Hun politieke partij SDS controleert het bestuur, de rechtbanken, de politie, de media, de belangrijkste bedrijven en zelfs delen van de oppositie. Het voornaamste machtsmiddel zijn twintigduizend politie-agenten, die onder het gevreesde ministerie van Binnenlandse Zaken vallen.

Hun voornaamste bron van inkomsten zijn de bedrijven Centrex en Selekt-Impex, die de smokkel en buitenlandse handel monopoliseren. De bevolking weet dat. “De Siciliaanse mafia mag wel uitkijken, de SDS komt eraan”, grapte een Servische vluchteling deze week tegen ons. Zo werkt de wereld nu eenmaal. En zonder de SDS had men nu onder het moslimjuk moeten leven.

In die houding leek de afgelopen weken verandering te komen.

De Republika Srpska is diep verdeeld geraakt door de machtsstrijd tussen president Biljena Plavsic, die zetelt in de West-Bosnische stad Banja Luka, en de Servische politieke elite in het Oost-Bosnische Pale. Toen Karadzic vorig jaar werd gedwongen zich uit de politiek terug te trekken, werd Plavsic als president vooruitgeschoven. Zij zou de marionet zijn, zo luidde de verwachting, en Karadzic zou aan de touwtjes trekken.

Het liep anders. Plavsic, tijdens de oorlog berucht om haar bizarre nationalistische tirades, begon zich zorgen te maken over de snelle verpaupering van de Servische Republiek. Het moslim- en Kroatische deel van Bosnië kwam met buitenlandse hulp de gevolgen van de oorlog snel te boven: de lonen zijn er momenteel drie- tot viermaal zo hoog als in het Servische deel. Maar door de obstinate houding van Pale bleef de Servische Republiek vrijwel verstoken van hulpgeld. Plavsic kwam in actie. Ze eiste onderzoeken naar de wijze waarop Karadzic en Krajisnik de handel en smokkel monopoliseerden. Ze liet documenten publiceren waaruit bleek in welke onfrisse transacties zij waren gewikkeld. Ze toonde zich bereid de politiemacht te hervormen.

Toen Plavsic begin deze maand minister van Binnenlandse Zaken Krijac ontsloeg, was de breuk compleet. Onder Krijac was de politie uitgegroeid tot een combinatie van smokkelorganisatie en schaduwleger. Krijac weigerde te vertrekken en trachtte Plavsic-getrouwe politiechefs te vervangen.

De politieke top in Pale steunde Krijac, waarop Plavsic het parlement ontbond.

Nu resideert Plavsic in Banja Luka, beschermd door de vredesmacht SFOR en door een deel van de politie. Elke poging tot bemiddeling liep tot dusver op niets uit.

“Wat ze van mij vragen is een compromis. Een beetje misdaad en een beetje eerlijkheid”, zei Plavsic deze week. Maar haar boodschap vond weerklank. Duizenden burgers protesteerden tegen de corruptie op door haar georganiseerde massabijeenkomsten. Servische politici die we in Banja Luka spraken, lieten ons indirect weten wel wat te voelen voor uitlevering van Karadzic aan Den Haag. “Het verdrag van Dayton moet worden uitgevoerd”, fluisterde de voormalige ultranationalist Nikola Spiric samenzweerderig. “En dan bedoel ik het héle verdrag van Dayton.”

Encyclopedie van moorden En toen kwam operatie Tango.

Ivan Lupis, een politiek analist van de denktank International Crisis Group, wijst op de kaart van de Servische Republiek: een groot gebied in het westen, met als centrum Banja Luka, en een groot gebied in het oosten, met als centrum Pale. Het westen wordt gecontroleerd door Plavsic, het oosten valt onder Karadzic. “De NAVO heeft in Madrid besloten dat Plavsic de enige hoop is om het Dayton-akkoord uit te voeren”, zegt Lupis. “Maar in het westen zijn een paar Karadzic-eilandjes, van waaruit Plavsic bedreigd wordt. Eén daarvan was Prijedor. Operatie Tango diende daarom drie doelen. Eén: Plavsic raakte met Drljaca een vijand in haar rug kwijt. Twee: SFOR werd weer wat geloofwaardiger. Drie: de reputatie van het oorlogstribunaal in Den Haag werd opgevijzeld.”

De dood van Drljaca gooide roet in het eten, denkt Lupis.

“Dat kwam Pale uitstekend van pas. Plavsic kan nu worden gepresenteerd als landverrader, die een Servische oorlogsheld heeft uitgeleverd. Daarnaast hoor ik van mijn bronnen in Den Haag dat men diep teleurgesteld is over zijn dood. Drljaca was een ware encyclopedie van moorden en verdwijningen in de Servische Republiek.

Die informatie is met hem begraven.''

Zo komt het dat Operatie Tango maar half geslaagd is. De Servische politieke top heeft weer even respect voor SFOR en Den Haag, maar boekt tegelijk grote propagandistische winst. Niemand heeft het nog over corruptie; de onrechtvaardige behandeling van de Serviërs door SFOR is het gesprek van de dag.

Pale buitte de dood van Drljaca deze week optimaal uit. Drljaca werd door de Britten in de boeien geslagen en daarna in de rug geschoten, zo herhaalt de staatszender TV-Pale dag in, dag uit. De kijkers worden voortdurend op beelden van zijn bloedvlekken in het gras getrakteerd, of op het emotionele vraaggesprek met zijn zoon Sinisa, die vertelt hoe hij op zijn buik moest liggen terwijl een SFOR-soldaat, een neger notabene, 'Shut up, shut up!' tegen hem schreeuwde. Sinisa zegt dat hij niet mocht omkijken, maar dat hij twee schoten hoorde. Daarna was zijn vader dood. “Ze schoten hem in de rug, want ze konden hem niet in de ogen kijken”, is een populaire slogan. De troepen die de Operatie Tango uitvoerden, worden steevast internationale terroristen genoemd, de arrestatie van dokter Kovacevic noemt men een ontvoering.

De begrafenis van Simo Drljaca werd onder SDS-regie vorig weekeinde een imposante vertoning van Servische eenheid. Er was een erewacht van in paars geklede politietroepen, er waren kruizen, vlaggen en kransen, waarvan de de grootste van crimineel, etnische zuiveraar en televisiepersoonlijkheid Arkan. Toch was de sfeer op de begrafenis kalm, bijna lauw. De duizenden rouwenden waren voor het merendeel Servische vluchtelingen, door de lokale SDS-bazen met bussen uit heel Bosnië aangevoerd.

Voor hen was de begrafenis vooral een gezellig uitstapje. En het was natuurlijk geen toeval dat de ceremonie in Banja Luka, het hoofdkwartier van Plavsic, was gepland. Plavsic liet verstek gaan.

Heel Banja Luka hangt nu vol posters van Karadzic. 'Laat hem met rust', aldus de (Engelse) tekst. 'Hij betekent vrede.'

Een 'spontane reactie' van het Servische volk kon deze week dus niet uitblijven. “We geloven niet dat hier sprake is van een georkestreerde campagne”, zei een SFOR-woordvoerder woensdag.

Toch had het daar alle schijn van: pas na drie dagen haat-tv uit Pale begonnen de aanslagen op de internationale gemeenschap. In Srebrenica liet een lokale SDS-baas ons vorig weekeinde grimmig weten dat hij “de mensen niet langer kon tegenhouden als ze SFOR-voertuigen en soldaten aanvielen”. Die avond ging in het naburige stadje Zvornik een auto van de politiemacht IPTF de lucht in vóór hotel Drina, waar veel buitenlanders slapen. Daarna sneuvelde er elke avond een voertuig en explodeerde er hier en daar een granaat. In Vlasenica, een dorp in de buurt van Srebrenica, raakte een Amerikaanse officier gewond toen een onbekende met een zeis op hem inhakte.

Woensdagavond leek Pale bereid de zaak te sussen. “Niet de soldaten, maar hun regeringen zijn verantwoordelijk”, zei de politicus Krajisnik. Die avond werden de aanvallen even spontaan gestaakt als ze waren begonnen, hoewel een groepje Serviërs eergisteren drie handgranaten naar de Britse basis bij Banja Luka gooide.

Spirituele leider

De oppositie in de Servische Republiek wacht op het moment om de aanval tegen Pale weer in te zetten. Na de dood van Drljaca schortte Plavsic alle massabijeenkomsten tijdelijk op. De Servische oorlogsheld kolonel Milovan Stankovic is woest over de dood van Drljaca. “Een mes in de rug van president Plavsic, dat is het. Het lijkt wel alsof SFOR Karadzic in het zadel wil houden.”

In zijn eigen stad Doboj circuleerden de afgelopen dagen pamfletten van een organisatie die zich 'Tsjetniks van heel Servië' noemt.

'Dood aan de buitenlandse bezetter en de binnenlandse vijand', viel daarop te lezen - in het Engels. 'Het wordt hier erger dan Somalië.' “Als je dat serieus neemt, ben je gestoord”, zegt Stankovic.

Stankovic is zeer populair in Doboj. De SDS laat hem daarom met rust. “In de oorlog stond de infanterie in de voorste linie”, zegt hij. “Dan volgt de artillerie, het hoofdkwartier, de logistiek en ten slotte de oorlogsprofiteurs.

Nu is het precies andersom.'' Qua extremisme doet zijn stad Doboj nauwelijks onder voor Prijedor.

In 1992 was dit knooppunt van spoorlijnen het verzamelpunt voor de etnische zuiveringen in Noord-Bosnië. Tienduizenden moslims en Kroaten werden hier gevangen gezet, gemarteld of tot dwangarbeid veroordeeld. De middelbare school in de wijk Usora was een verkrachtingskamp, waar honderden, misschien duizenden vrouwen werden 'geklassificeerd' op uiterlijk, rijkdom en opleiding. Lelijke of oude vrouwen 'verdwenen', de rest werd dagelijks verkracht en geslagen door groepen soldaten en paramilitairen.

De lokale mafia is in Doboj en het naburige stadje Teslic nog geheel intact. De grote man is hier Milan Ninkovic, SDS-hoofd, burgemeester en minister van Defensie van de Servische Republiek.

Zijn rechterhand, de orthodoxe priester Savo Knezevic, geldt als de 'spirituele leider' van de etnische zuiveringen. In 1992 viel deze priester een vergadering van de oppositiepartij SPS binnen, mitrailleerde de deelnemers en verbrandde hun lijken met benzine.

Vorig jaar werd hij gesignaleerd op een oppositiebijeenkomst, waarbij hij schreeuwde: “Wie ik bij de stembus aantref, wordt opgeknoopt.” Andere notabelen van het stadje zijn oude krijgsheren als Karaga, die naar schatting tweeduizend moslims vermoordde en begroef in massagraven, Predo, wiens legertje 'Predo's wolven' golden als 'etnische probleemoplossers', Majoor Mauzer, hoofd van de paramilitaire 'Panters'. De Doboj-mafia is net als die van Prijedor, bepaald niet slechter geworden van de oorlog: zij hebben de beste huizen en beheersen het bestuur en de economie in de regio. Pikant detail: Ninkovic en zijn mannen waren tijdens de oorlog eigenaar van de enige kaarsenwinkel in Doboj. En nergens viel de elektriciteit zo vaak uit als daar.

De afgelopen dagen werd op radio-Doboj keer op keer omgeroepen dat president Plavsic de Servische held Simo Drljaca had vermoord. Doboj moest zich achter de vlag scharen en zich tegen de buitenlandse agressor en binnenlandse verrader keren. “De mensen in Doboj lachen erom”, zegt Kolonel Stankovic. “Ze kennen de SDS, ze weten dat het misdadigers zijn. De oude macht kruimelt weg. Maar ik hoop dat SFOR de jacht op oorlogsmisdadigers niet voortzet. Dan gaan de mensen weer rond de criminelen staan.”

Op weg van Doboj naar Banja Luka stuitten we donderdagavond op een massabijeenkomst van president Plavsic. Een week na de dood van Drljaca heeft ze haar anticorruptiecampagne weer voorzichtig in gang gezet.

Zweedse militairen van SFOR houden met Plavsic-getrouwe agenten de menigte in de gaten. Die juicht en klapt. “Als SFOR de komende dagen nog op jacht gaat naar oorlogsmisdadigers, hoop ik dat ze eerst een Kroaat of een moslim oppakken”, zegt Ivan Lupis van de International Crisis Group. “Natuurlijk hebben de Serviërs de meeste oorlogsmisdaden gepleegd. Maar er is geen reden de SDS verder in de kaart te spelen.”

De informatie over Prijedor en Doboj is ontleend aan twee rapporten van Human Right Watch: 'Bosnia-Hercegovina. The Unindicted: Reaping the Rewards of Ethnic Cleansing' (jan. 1997) en 'Bosnia-Hercegovina. The Continuing Influence of Bosnia's Warlords' (dec.1996).