Politionele acties waren voor 'orde en rust'

Vijftig jaar geleden begon de eerste politionele actie van het Nederlandse leger in Indonesië. Sindsdien is het oordeel hierover veranderd. Van rechtvaardige strafexpeditie tot koloniale oorlog.

Radioluisterend Nederland hoorde vijftig jaar geleden,op 20 juli 1947, een ernstige minister-president Beel verklaren: “Er komt een moment waarop lankmoedigheid ophoudt een deugd te zijn.” Deze zin vormde de inleiding van een toespraak waarin Beel de luisteraars vertelde dat Nederland in Indonesië tot gewapend optreden was overgegaan, om aldaar “orde en rust te herstellen”. Het hoofdredactioneel commentaar van de NRC citeerde Beels volzin met hartgrondige instemming en vertolkte daarmee het gevoel zoals dat algemeen leefde in Nederland.

Die ochtend waren op Java en Sumatra twee divisies tot de aanval overgegaan vanuit de stedelijke enclaves waar ze opeengepakt zaten. De door de Indonesische leiders Soekarno en Hatta geproclameerde Republik Indonesia was in het zogeheten Linggadjati-akkoord overeengekomen deelstaat te worden van een federale staat Indonesië, in een Unie verbonden met het Koninkrijk, en had een daarop gebaseerd wapenbestand aanvaard. Dit bestand werd onophoudelijk geschonden door de Indonesiërs, die in Nederland als 'onverantwoorde elementen' werden beschouwd. Tegen deze onverantwoorde elementen moest worden opgetreden. De dagorder van legercommandant Spoor luidde dan ook: “Gij rukt niet uit om aan dit land oorlog te brengen, maar om het de vrede te hergeven.”

De militaire operatie heette 'politionele actie'. De Nederlandse dienstplichtigen van toen moeten zich hebben gevoeld als de militairen van nu die naar Cambodja of Bosnië werden uitgezonden op een humanitaire missie. De Nederlandse troepen werden daarin bevestigd door het onthaal in kampong en dessa van de vrachtwagens met voedsel, medicijnen en textiel die in de legertros meereden. Naast een humanitair doel had de politionele actie nog een ander doel; dit bleek uit de codenaam die eraan was gegeven: 'Operatie Produkt'.

Minister Lieftinck (Financiën) had het kabinet gewaarschuwd dat een leger van 120.000 man in Indonesië de deviezenvoorraad zou uitputten. Als daar niet gauw revenuen tegenover stonden, raakte de schatkist leeg. De kosten van de politionele actie werden op zo'n tweehonderd miljoen gulden berekend. Daar stond tegenover dat de voorraden plantageprodukten, ruwe olie en mijnerts in republikeins gebied een waarde van minimaal driehonderd miljoen gulden vertegenwoordigden - een batig saldo dus van ten minste honderd miljoen.

Operatie Produkt richtte zich op produktiegebieden in West- en Oost-Java en Noord- en Zuid-Sumatra.

Het republikeinse leger, de TNI, was numeriek in de meerderheid maar qua bewapening verre de mindere van de Nederlanders. Er bestond geen eenstemmigheid over de te volgen strategie. Opperbevelhebber Sudirman wilde met het Nederlandse leger slag leveren. De commandant van de Siliwangi-divisie,kolonel Nasution, stelde daarentegen voor bij een aanval tot guerrilla over te gaan. Het plan van generaal Spoor was om binnen de kortste keren strategische knooppunten in te nemen en van daaruit de tussenliggende gebieden te zuiveren. Binnen ruim een week waren de meeste knooppunten veroverd.

Inmiddels hadden India en Australië de Indonesische kwestie op de agenda van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties geplaatst. Op 2 augustus riep de raad de partijen op tot een staakt-het-vuren. Nu de belangrijkste doelen van Operatie Produkt waren bereikt, verklaarde Nederland zich daartoe bereid. De Republiek had geen keus. Op 5 augustus om 00.00 uur kwam een einde aan het schieten.

Met het staakt-het-vuren leek de politionele actie beëindigd. Zij kreeg echter een vervolg dat bijna de regerende rooms-rode coalitie in Nederland deed springen. De produktiegebieden waren weliswaar veroverd, maar Djokja, waar de republikeinse regering zetelde, was nog intact. Het leek de commandopost te zijn van de guerrilla waartoe de teruggedreven TNI volgens het recept van Nasution was overgegaan.

In Batavia was de landvoogd Van Mook tot de overtuiging gekomen dat Djokja uitgeschakeld moest worden en Spoor, die dat al lang vond, had er het operatieplan Cato voor laten opstellen. Zij vonden in Nederland een willig oor bij koningin Wilhelmina, die zich als in haar Londense dagen met het regeringsbeleid bemoeide. Zij vond dat moest worden opgerukt naar Djokja, volgens haar een “broeinest van extremisten”, en dat Nederland desnoods de Veiligheidsraad maar moest negeren.

Beel bracht het koninklijke voorstel in de ministerraad. Hij vond coalitiegenoot Drees tegenover zich. Drees, die heel wat moeite had gehad de PvdA achter de politionele actie te krijgen, vond dat de Republiek een lesje verdiende, niet dat deze vernietigd moest worden. Toen de ministerraad op 17 augustus voor de beslissing stond over het al dan niet oprukken naar Djokja, staakten de stemmen. Het leidde tot een kabinetscrisis die angstvallig binnenskamers is gehouden. Aan de crisis kwam een einde toen de Veiligheidsraad op 24 augustus zijn bemoeienissen met de Indonesische kwestie (voorlopig) afrondde met een resolutie die Nederland in het bezit liet van veroverd gebied. Dit had wel zijn prijs. Er werd een Commissie van Goede Diensten ingesteld die het conflict voorgoed internationaliseerde.

De commissie dwong beide partijen naar de onderhandelingstafel. Dit leidde in januari 1948 tot de zogeheten Renville-overeenkomst. De TNI leefde dit akkoord niet na, omdat het niet voor honderd procent merdeka bracht: de volledige onafhankelijkheid. Kerstmis 1948 volgde een tweede politionele actie (Indonesiërs spreken van Agressi I en Agressi II). Ook aan deze actie kwam door interventie van de Veiligheidsraad een eind. In plaats van de Commissie van Goede Diensten trad nu de United Nations Committee for Indonesia aan. De Amerikaanse voorzitter ervan liet, gesteund door het State Department, Nederland vrijwel geen ruimte meer. Het slot was de Ronde-Tafelconferentie in Den Haag en eind 1949 de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië.

De naar Indonesië uitgezonden militairen kwamen thuis als gemankeerde helden.

Familie en kennissen verwelkomden hen met erebogen voor hun huis. Zij voelden zich echter verraden door een regering die onder internationale druk hun humanitaire missie voortijdig had afgebroken. 'De heren worden bedankt' luidt de titel van het boek dat één van hen, Anton de Graaff, over zijn ervaringen in Indonesië heeft geschreven - de heren in Den Haag wel te verstaan.

In de publieke opinie overheerste vele jaren de opvatting dat het kleine Nederland had moeten buigen voor het geldzuchtige Amerika, dat niets begreep van de Javaanse ziel, en van het perfide Albion (het Verenigd Koninkrijk), dat bij de Nederlandse nederlaag garen wilde spinnen. Deze bitterheid is ook het draagvlak geweest voor de ruime steun die minister van buitenlandse zaken Luns kreeg voor zijn hardnekkig vasthouden aan Nieuw-Guinea.

In de jaren zestig veranderde in Nederland de waardering van het Indonesië-beleid van destijds en daarmee ook van het optreden van onze jongens overzee.

Het omslagpunt was de bekentenis van de oud-strijder en hoogleraar psychologie prof. J.E. Hueting in een uitzending van de televisierubriek Achter het Nieuws in januari 1969 over wat zijn maten en hij, vechtend onder de tropenzon, allemaal hadden aangericht. De gemankeerde helden werden welhaast oorlogsmisdadigers.

Nederland werd in de jaren daarna meer en meer de vertolker van een soort wereldgeweten. Overal werd neokolonialisme ontwaard.

Japan werd gemaand eindelijk eens berouw te tonen - en liefst in klinkende munt uit te betalen. De herdenking van vijftig jaar Indonesische onafhankelijkheid in 1995 bood een gezochte kans koningin Beatrix een berouwvolle boodschap te laten overbrengen over het Nederlandse optreden destijds.De Indonesische regering had onze koningin uitgenodigd om als enig buitenlands staatshoofd op 17 augustus 1995 in Jakarta aanwezig te zijn bij de herdenking van het gouden jubileum. In Indonesië bestond in wijde kring de verwachting dat zij deze uitnodiging zou aannemen en dat zij namens het Nederlandse volk verontschuldigingen zou aanbieden - misschien niet voor '350 jaar koloniaal regime', maar toch ten minste voor vijf jaar bezetting.

Indonesië stond klaar om daarna onder alles een streep te zetten en om met een schone lei opnieuw te beginnen. Dat is uiteindelijk niet gebeurd.