Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Defensie

CIA wierf eind '70 Kamerlid in PvdA, infiltratie beoogd

AMSTERDAM, 19 JULI. De Amerikaanse inlichtingendienst CIA heeft aan het eind van de jaren zeventig een PvdA-Kamerlid geworven als informant, in een poging om zo te infiltreren in de PvdA.

Dit zeggen de wetenschappers B. de Graaff en C. Wiebes. In een bijdrage aan het Engelse boek Eternal Vigilance?, over het 50-jarig bestaan van de CIA, hebben ze de zaak onlangs summier beschreven.

De Graaff en Wiebes weten niet welk Eerste- of Tweede-Kamerlid destijds werd benaderd om de rol van informant te spelen. In de PvdA wordt daarover duchtig gespeculeerd. Wel hebben De Graaff en Wiebes de identiteit van de CIA-medewerker achterhaald die de PvdA-parlementariër als CIA-informant wierf. Volgens Wiebes ging het om een “zeer ervaren medewerker” die eerder was gestationeerd in Duitsland ('52-'57), Griekenland ('59-'68), Polen ('70-'72), het Verenigd Koninkrijk ('72-'75)

en die van de zomer '79 tot medio '81 in Den Haag werkte.

De onderzoekers deden hun kennis op bij een studie naar de in 1992 opgeheven Inlichtingendienst Buitenland (IDB), de Nederlandse zusterorgansiatie van de CIA, waarover zij volgend voorjaar het boek 'Villa Maarheze' publiceren.

PvdA-politici uit het eind van de jaren zeventig zeggen verbaasd te zijn over de CIA-operatie, maar zij zeggen die operatie wel te kunnen plaatsen. “We waren een grote partij en namen spannende standpunten in”, aldus E. van Thijn, voormalig burgemeester van Amsterdam en destijds vice-voorzitter van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA.

De PvdA keerde zich in 1979 tegen het zogenoemde 'NAVO-dubbelbesluit', waarbij een aantal Europese NAVO-leden waaronder Nederland zich verplichtte tot de plaatsing van kruisraketten. Na een in 1977 door de CPN geïnitieerd verzet tegen de neutronenbom in Nederland groeide de steun voor de vredesbeweging in de PvdA destijds sterk. “De belangstelling van de Amerikaanse ambassade voor onze partij was erg groot”, aldus Van Thijn. “Ik had wel eens een vermoeden dat de CIA erachter zat, maar heb dat uiteraard nooit geweten. Het is natuurlijk absurd dat dit is gebeurd. Er gebeuren de gekste dingen op dat gebied.”

Ook de toenmalige Tweede-Kamerleden A. Stemerdink en P.Dankert zeggen dat destijds de belangstelling van de Amerikaanse ambassade, waar CIA-medewerkers zijn gestationeerd, voor de PvdA uitzonderlijk groot was.

Pag.3: Interesse CIA voor PvdA 'logisch'

Stemerdink, in de jaren zeventig minister van Defensie, zegt:“De Amerikaanse ambassade was geweldig actief in die tijd. Er werd intensief contact gezocht.” Dankert zegt dat onder het ambassadepersoneel dat contact opnam “wel mensen zaten die in aanmerking kwamen voor CIA-contacten”.

Hij kan zich de belangstelling van de CIA voor de PvdA “gezien de woelige ontwikkelingen in de partij” wel voorstellen, maar hij noemt een infiltratie onlogisch.

“Alles lag toch altijd op straat.”

C.C. van den Heuvel, oud-BVD-topman en tot in de jaren zestig betrokken bij diverse BVD-acties tegen de CPN en kenner van het internationale inlichtingenwerk, noemt de “CIA-infiltratie in de PvdA logisch in verband met de reële zorgen van de Amerikanen over de kruisraketten”. Dat een Kamerlid als informant werd geworven, verbaast hem evenmin.

“Daarvoor neem je een actief politicus die sympathiek staat tegenover je doelen.”

Toenmalig luchtmacht-majoor F. Uijen, destijds PvdA-Eerste-Kamerlid, lid van het partijbestuur en actief in de vredesbeweging, zegt eind jaren zestig al te zijn benaderd door een medewerker van een Amerikaanse inlichtingendienst om informatie door te spelen. Het ging volgens Uijen om Louis Sabin, officier van de Contra-Inlichtingendienst van de Amerikaanse luchtmacht die “een advocatenkantoor in Washington als cover gebruikte”.

Uijen zegt dat hij al jarenlang met Sabin bevriend was en bekend met diens werkelijke professie, toen de luchtmachtofficier hem eind jaren zestig aanbood de oversteek te maken. Dit gebeurde nadat Uijen publiekelijk zijn beklag had gedaan over het uitblijven van een bevordering naar de luchtmachtstaf die hem was toegezegd ten tijde van het kabinet-De Jong ('67-'71). Volgens de PvdA'er vormden zijn progressieve sympathieën voor de leiding van Defensie het motief hem te beknotten in zijn loopbaan. Uijen beschikte over een uitzonderlijk curriculum vitae.

Naast zijn functies in en namens de PvdA, in de luchtmacht en de vredesbeweging was hij bestuurslid van de met Oost-Duitsland sympathiserende Vereniging Nederland-DDR en had hij zitting in de NAVO-Assemblee.

Uijen: “Louis Sabin kwam op een dag bij me en deed zijn aanbod.

Met mijn bevordering zou het in orde komen, als ik voor zijn dienst ging werken. Hij stelde alleen als voorwaarde dat ik eerst contact opnam met Anne Vondeling, destijds partijvoorzitter.'' Uijen zegt het aanbod te hebben geweigerd en dus de zaak nooit met Vondeling te hebben besproken. De voormalig luchtmacht-majoor zegt uit deze kleine geschiedenis te hebben afgeleid dat Vondeling mogelijk contacten met Amerikaanse inlichtingendiensten onderhield, maar hij moet beamen dat hem verder iedere aanwijzing ontbreekt.

Vondeling, minister van Financiën in het kabinet-Cals ('65-'66) en in 1979 overleden, stelde zich als voorzitter van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA in 1967 overigens uiterst kritisch op tegen de BVD, blijkt uit de in 1995 verschenen Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst van D. Engelen. Zijn oudste zoon, Adam Vondeling, deed in datzelfde jaar van zich spreken door een geval van “snuffelarij” door een BVD-agent op de Rijksuniversiteit Leiden. Adam Vondeling beschreef dat geval in het Leids Universiteitsblad, aldus wordt in datzelfde boek beschreven. Adam Vondeling was de laatste dagen niet bereikbaar.

PvdA-politici die destijds een hoofdrol in de landspolitiek vervulden, zeggen geen idee te hebben wie van hun collega's destijds mogelijk dubbelspel speelde. “Ik kan u niet helpen”, aldus A. Kosto, destijds Tweede-Kamerlid en inmiddels lid van de Raad van State.

“Ik heb eind jaren zeventig wel zo'n reisje op uitnodiging van de Amerikaanse regering naar de VS te gemaakt, maar kan me niet herinneren daar als agent geworven te zijn. We noemden dat destijds wel schertsend het CIA-reisje. Toen ik daar was, merkte ik trouwens dat een polderjongen als Wim Kok er ook was geweest.”

Stemerdink kan zich “wel enkele namen indenken” van collega's die de Amerikanen een handje wilden helpen maar zegt voor het overige geen enkele aanwijzing te hebben. “Ik zou het werkelijk niet weten”, aldus Van Thijn.

De infiltratiepoging in de PvdA zorgde destijds binnen de CIA voor consternatie, zegt Wiebes. De operatie werd, tegen de afspraken, opgezet buiten medeweten van de Nederlandse zusterorganisaties en veroorzaakte om die reden binnen de CIA een “big stink” en werd gezien als een “rogue operation”, aldus Wiebes. De CIA-medewerker die het Nederlandse Kamerlid begeleidde verdween binnen twee jaar van zijn post, volgens Wiebes ongebruikelijk snel.

In de resultaten van de operatie heeft hij geen inzicht. Wel gaat hij ervan uit dat de Nederlandse inlichtingengemeenschap op de hoogte is geraakt van de infiltratie.

“Die zijn geweldig pissig geworden”, zegt Wiebes. “Daarna is de zaak zo gauw mogelijk in de doofpot gestopt.” De Amerikaanse ambassade was gisteren niet voor commentaar bereikbaar.