Aanhoudende vruchtbaarheid; Nut van kinderen ligt in vorming sociale netwerken

HET GEBOORTECIJFER IN de moderne industriesamenlevingen daalt gestaag. Gezinnen worden steeds kleiner, in veel landen zelfs zo klein dat de bevolking zou dalen zonder immigratie.

En zo hoort het ook, in de demografische theorie. De standaardverklaring voor het dalende kindertal draait om het minimale economische nut van kinderen in een moderne samenleving. Vroeger was dat wel anders. In vrijwel de gehele geschiedenis van de mensheid zijn kinderen van groot belang geweest voor hun ouders, als arbeidskrachten en pensioenvoorziening. Met de industrialisatie en modernisering - in het Westen vanaf de negentiende eeuw, in de Derde Wereld pas de laatste jaren - verdwijnt dat belang. Door de rationalisatie van het productieproces wordt het eigen inkomen van de ouders hoog genoeg om goed te leven en ook nog geld voor het pensioen opzij te zetten En tezelfdertijd wordt het steeds normaler dat kinderen naar school gaan en goed gekleed en gevoed worden, waardoor de kosten van het nageslacht gestaag stijgen.

Geen probleem dus, die dalende vruchtbaarheid in industrielanden - behalve dat zich wel de vraag opdringt: waarom zouden inwoners van de moderne industriesamenlevingen eigenlijk überhaupt nog kinderen nemen? Anders gezegd: Why do Americans want children?, zoals de titel luidt van een recent artikel door vijf demografen van de Amerikaanse John Hopkins Universiteit (in Population and Development Review 23 (2), Juni 1997). “De fundamentele vraag naar wat de vruchtbaarheid in stand houdt ondanks wijdverspreide vrouwenarbeid en de hoge kosten van kinderen, wordt slechts zelden gesteld”, zo schrijven Robert Schoen en collega's.

Zij stellen zich die vraag wel en ze geven er ook een antwoord op. In plaats van de economische waarde van kinderen moet volgens hen de sociale waarde van nageslacht centraal komen te staan: het feit dat in de moderne maatschappij een gezin met kinderen een veel sterker sociaal netwerk heeft, is een cruciale factor voor de wens tot kinderen. Broers, zusters en (schoon)ouders zijn waarschijnlijk meer geneigd om familieleden fysiek, emotioneel en financieel te steunen wanneer deze kinderen hebben. En ouders met kinderen maken veel makkelijker contacten in de buurt.

De nieuwe theorie van de demografen van de Hopkins Universiteit is geïnspireerd op het idee van 'sociaal kapitaal' van de socioloog James Coleman. In hun eigen woorden: “Het sociale kapitaal dat kinderen bieden, is in industriële samenlevingen te behalen met relatief kleinere investeringen, te weten: door minder kinderen.”

Empirische ondersteuning voor hun nieuwe theorie zoeken Schoen et alii in een Amerikaanse enquête uit 1987-1988, The national Survey of Families ands Households, waaruit ze 4.358 geënquêteerden hebben gelicht tussen de 16 en 39, die niet zwanger of steriel waren. Mensen die hun kinderwens ondersteunen met argumenten die betrekking hebben op de sociale relaties die ontstaan door het hebben van kinderen, bleken een significant hogere kinderwens te hebben dan anderen. Heel direct is het empirische bewijs overigens niet. Want de kinderwens die wordt uitgesproken tegenover een enquêteur stemt lang niet altijd overeen met het daadwerkelijke gedrag. En de score voor 'sociale motivatie' was afhankelijk van instemming met argumenten als: 'om mijn ouders een kleinkind te geven', 'om mijn kinderen een broertje of zusje te geven', maar ook: 'om iets te doen te hebben'.

Natuurlijk zijn er heel veel andere redenen te bedenken waarom ook in industrielanden een hardnekkige kinderwens blijft bestaan. 'Het is nu eenmaal biologisch bepaald', is bijvoorbeeld een veel gehoorde verklaring, die Schoen c.s. overigens niet noemen in hun stuk. Waarschijnlijk niet omdat deze verklaring zo algemeen is, dat ermee geen enkele verklaring kan worden gegeven voor veranderingen in de vruchtbaarheid van vrouwen. De 'biologische kinderwens' wordt altijd beperkt door andere omstandigheden. Tot de hoogst bekende gemiddelde vruchtbaarheid behoort bijvoorbeeld die van bepaalde strenge protestante sekten in Amerika: tien kinderen per vrouw - dankzij voldoende rijkdom en een strakke ideologie van 'gaat heen en vermenigvuldigt u'. Maar dit gemiddelde, dat misschien als biologische bovengrens kan gelden, wordt zelfs niet gehaald door de momenteel zeer vruchtbare ontwikkelingslanden.

Een aantal andere alternatieve verklaringen wijst Schoen c.s. wel expliciet af,meestal op methodische gronden. De kracht van 'psychologische bevrediging' als motief van ouders is bijvoorbeeld amper empirisch bewezen. Het meer algemene bezwaar tegen dit soort verklaringen is het impliciete uitgangspunt dat kinderen kennelijk geen nut (meer) hebben. En dat is voor utilitair ingestelde sociale wetenschappers moeilijk te aanvaarden. Schoen c.s. houdt daarom vast aan een 'nuttigheid'-verklaring: in de moderne samenleving is het de economische nut verdwenen, maar het sociale nut geldt nog altijd.