Nieuwe bundel van Wiel Kusters; Dichter van het middenveld

Wiel Kusters: Velerhande gedichten. Querido, 72 blz. ƒ 32,50

Jo Peters (samensteller): De onderste steen. Een bibliografie van het werk van Wiel Kusters. Deel 2: 1988 - 1997. Herik, 176 blz. ƒ 31,90

De laatste reguliere dichtbundel van Wiel Kusters, treffend genoeg Laatst geheten, verscheen alweer acht jaar geleden. Sindsdien publiceerde hij een dik boek met aantekeningen over poëzie, een kleine essaybundel over Pierre Kemp en een bundel kindergedichten. Daarnaast ook nog eens ruim dertig kleinere titels, zo valt te lezen in een zojuist verschenen bibliografie van zijn werk van de laatste tien jaar. Het gaat dan om losse gedichten, essays en aantekeningen in allerlei dunne bundeltjes en gelegenheidsuitgaafjes, in kleine oplagen en in bijzondere uitvoeringen.

Deze vloed aan publicaties heeft niet de indruk kunnen wegnemen dat zijn serieuzere poëzie wat op de achtergrond raakte. Kusters zelf kon het niet helemaal ontkennen, toen het hem twee jaar geleden gevraagd werd, maar hij wanhoopte niet. 'Ik hou het meest van poëzie', zei hij in 1995 in een interview in De Poëziekrant, en 'ik wil me wapenen tegen de gedachte dat zij op een laag pitje staat. (...) Misschien kan binnen tien jaar weer een hele mooie nieuwe dichtbundel verschijnen. Maar het kan bij mij ook opeens heel snel gaan.'

Zijn probleem was niet zozeer de kwantiteit of de kwaliteit, maar de afwisseling. Hij schreef simpele, serieuze en nonsensverzen door elkaar, voor respectievelijk jeugdige, volwassen en leeftijdloze lezers. 'De gedichten die ik de laatste jaren schreef zijn nogal divers. Dat wil ik graag zo. Maar het is wel moeilijk ze tot een bundel te maken. Een bundel vraagt ondanks alle diversiteit toch een zekere samenhang.'

Niet lang daarna moet Kusters besloten hebben van de nood een deugd te maken. Voor zijn samenhangprobleem vond hij de meest voor de hand liggende oplossing. Hij zette in zijn nieuwe bundel zijn verschillende soorten gedichten eenvoudigweg in verschillende afdelingen naast elkaar, onder de genretitels 'Aandachtig', 'Boertig', 'Amoureus' en 'Klein liedboek', naar het voorbeeld van het Boertigh, amoureus en aendachtigh Groot Liedboek van Bredero. Over de titel voor het geheel hoefde hij toen niet lang meer na te denken: Velerhande gedichten, herinnerend aan rederijkersbundels met titels als Veelderhande geneuchlycke dichten, tafelspelen ende refereinen.

Velerhande gedichten is, zeker, een afwisselende bundel geworden: veelzijdiger dan zijn voorgangers en dankzij de kinder- en nonsensverzen ook wel iets geneuchlycker. Maar al te groot zijn de verschillen ook weer niet. De neiging tot het eenvoudige, luchtige of liedachtige zat er bij Kusters altijd al in. En eerlijk gezegd zijn de verschillen tussen de onderscheiden afdelingen ook weer niet zo groot als de dichter zelf twee jaar geleden nog leek te denken. Een gedicht als 'Rivier', uit de aandachtige afdeling, verscheen oorspronkelijk in een bundel voor kinderen en had hier ook in de kinderafdeling 'Klein liedboek' niet misstaan. Omgekeerd: een eenvoudig en grappig gedicht als 'Wakker', uit diezelfde kinderafdeling, was ook in de boertige sectie op zijn plaats geweest. Een gedicht als 'Doodstil' is aan het slot van de aandachtige afdeling te vinden: de plek bij uitstek voor een waar woord, zeker als het onderwerp ook nog eens de dood is. Maar ook hier is de aanpak licht, om niet te zeggen speels:

Ik ging eens niet op reis, bleef zitten in mijn stoel. Mijn reis ging razendsnel. Ik was nog niet vertrokken of ik was al weer thuis. Ik ging eens niet graag dood, bleef zitten tot ik stierf. Mijn dood was een soort dood. Ik was nog niet geboren of ik was nog steeds in leven.

De eerste strofe beschrijft een grappige reis: de reis die thuis op de stoel gemaakt wordt, zodat het moment van thuiskomen als het ware al vóór het vertrek valt. Het is een spel met betekenissen (kan men wel thuiskomen van een reis die niet gemaakt wordt, enzovoort) en met de logische volgorde. De tweede strofe probeert hetzelfde te doen, maar dan met de begrippen geboorte, leven (levensreis) en dood, met nog vreemdere gevolgen: men blijkt dan voor zijn geboorte al een heel leven achter de rug te hebben. Of de vergelijking in alle onderdelen klopt, vraag ik me af, maar dat is misschien juist de bedoeling. Het gedicht speelt met omkeringen en paradoxen, het is een goede oefening in denksport en er kunnen genoeg grote begrippen mee verbonden worden, van doodsangst tot eeuwigheidsverlangen. Maar veel meer dan een vrijblijvend gedachtenspel wordt het niet, en dat is bij zo'n onderwerp toch wat teleurstellend.

Zo gaat het vaak bij Kusters. Zijn gedichten zijn helder, kort en charmant, maar inhoudelijk blijven ze aan de bescheiden kant. Hij schrijft uitgesproken 'aardige' poëzie: zonder uithalen, zonder schokken, met veel plezier in het schuiven met klanken en woorden, en met een zekere vrees voor echte gevoelens en standpunten. Zijn amoureuze verzen zijn netjes en vriendelijk, op het beleefde af. Zijn kinderlijke verzen zijn keurig en braaf. In zijn aandachtige verzen kiest hij graag de afstandelijke omweg door de aanleiding te verdoezelen en met allerlei allusies te verdichterlijken, behalve in enkele ontroerende gedichten over zijn dementerende moeder, die er uitspringen door hun onverbloemdheid. Kusters' boertige verzen zijn geen echte dijenkletsers, maar je kunt wel zien dat een voorzichtige dichter als hij zich bevrijd voelt wanneer aanleiding en geijkte betekenis achterwege kunnen blijven. 'De wantklok' is een mooi voorbeeld van zo'n nonsensvers. Het betreft hier een heel bijzondere (want tienurige) klok die de tijd met zijn vingers aangeeft. Spijtig is wel dat daarvan niets valt te zien, zoals Kusters droogkomisch opmerkt, want 'de wantklok die draagt wanten'.

Velerhande gedichten bewijst verrassend genoeg vooral dat er veel meer eenheid in zijn verscheidenheid zit dan de dichter zelf dacht. Geen echte nonsensdichter, geen echte denker, geen echte troubadour en geen echte kinderliedjeszanger, maar een mengsel van dat alles: een speelse en gezellige dichter van het middenveld, overal inzetbaar, als het maar niet te lang hoeft te duren. Eén naam dringt zich hier op, de naam van een voorganger die zich ook graag op dat middenveld bevond en die niet toevallig het motto voor Kusters' bundel leverde: Pierre Kemp. Tevens de dichter die voor de bundeling van zíjn veelderhande korte gedichten een nog simpeler oplossing had waarmee Kusters in de toekomst wellicht zijn voordeel kan doen: hij drukte ze gewoon alfabetisch, op titel, achter elkaar af.

SJABLOON

voor de tachtigste verjaardag van mijn moeder

Het jaar wordt vroeg oud geboren

vroeg oud gaat het jaar ook weer dood.

De boom heeft veel bladeren verloren

maar was in de aanvang al bloot.

'Er is veel dat ik niet wil vergeten

veel meer dat zijn vrede wel vindt.

Ik weet niet wat ik niet hoef te weten

ik ben zowel ouder als kind.'

Dit staat in een boomstam geschreven.

Het mes werd door vader gewet.

Het heeft in het donker gelegen

totdat het rechtop werd gezet.

Geen snijdender, ijziger lijnen

dan die waar een hart uit onstaat:

sjabloon voor de hevigste pijnen.

Het hart valt eruit en vergaat.

Uit: Wiel Kusters: Velerhande gedichten

(uit de afdeling 'Aandachtig')