Nestbevuiling

Honderd jaar geleden begon Thomas Mann Buddenbrooks te schrijven. In Rome, Via Torre Argentina trenta quarto, drie trappen hoog. Hij was tweeëntwintig. Drie jaar had hij nodig om zijn eerste grote roman, in Rome en München, te voltooien. In oktober 1901 verscheen het boek. Het werd na enige aarzeling een succes en het bleef een succes.

Wij zijn intussen vergeten dat Buddenbrooks bij verschijnen in Lübeck schandaal verwekte, omdat Thomas Mann heel duidelijk Lübeckers uit zijn jeugd had geportretteerd. De jonge schrijver bevuilde zijn nest, zo werd in een krantenadvertentie beweerd, en een oom wilde hem een proces aandoen. Dat kwam er niet van. Maar menigmaal werd naar Buddenbrooks en Thomas Mann verwezen wanneer de auteur van een schandaalroman werd aangeklaagd. Bilse heette de auteur van Die kleine Garnison, mij onbekend, en een advocaat noemde Buddenbrooks, ter verdediging van Bilse blijkbaar, een 'Bilse-roman'. Dat werd Thomas Mann te gek. Hij schreef in 1906 een woedend essay onder de titel Bilse und ich.

Het is een vermakelijk betoog. Eerst wordt wat geschiedenis samengevat, herinnerd aan Goethe (Werther) en Toergenjev die naar levend model werkten en er conflicten over kregen. Dan wordt uitgelegd wat er met die modellen in de geest van de kunstenaar gebeurt. Het publiek krijgt er van langs omdat het wil weten wie model heeft gestaan. Thomas Mann vraagt zich af wat hij zou doen wanneer een vriend van hem een briljante novelle publiceerde met een gemene hoofdpersoon die sprekend op hem leek. Hij zou, zegt hij, zich erover verbazen dat zijn persoon voor schurk had moeten dienen, maar verder: “Ik ben, onder andere, ook wel schurk. Overigens bravo!”.

Hij eindigt met een referaat over het lijden van de kunstenaar die gedoemd is te observeren, die niet weg kan doezelen in verzoenlijkheid, een thema dat hij in zijn novelle Tonio Kröger melancholiek heeft uitgewerkt. Een mooi essay, tegen de roddelzucht, het leedvermaak, en voor de vrijheid van de kunstenaar. Geen woord over de slachtoffers, zoals de oom met de 'te korte zenuwen' die in Buddenbrooks voor gek wordt gezet. Geen woord. Er staat: 'De treffende formulering werkt altijd hatelijk. Het goede woord doet pijn.' Thomas Mann heeft zijn leven lang geportretteerd en er nog menigmaal ruzie over gekregen.

Romanschrijvers zijn roddelaars, leugenaars, voyeurs, profiteurs. Hun onfatsoen is voorbeeldig. De goegemeente twijfelt daar terecht niet over. Ik heb kort geleden een gloednieuw boek gelezen over de maaltijden in het huis van de Buddenbrooks, met recepten en al en de personen aan tafel werden steeds met twee namen genoemd: hun naam in de roman en hun naam in de werkelijkheid. Voor de schrijfster vielen personage en model gewoon samen. Dat ging me te ver. Want Thomas Mann, de alles wetende verteller, maakt zijn personages los van het model. Ze krijgen binnen het boek de kans om op eigen houtje te denken, te dromen, zich te bewegen. Ze leven een eigen leven. En ze doen in de roman misschien niet wat ze in de werkelijkheid gedaan hebben.

Bij J.J. Voskuil is dat anders. De hoofdpersoon van Het bureau, Maarten Koning, is het enige op eigen houtje levende personage. Koning rapporteert in de roman wat hij ziet en ervaart, met veel kritiek, en de mensen die op dat wetenschappelijke instituut werken zijn onbarmhartig geportretteerd. Karikaturen? Aangezien Koning niet kan weten wat er in hen omgaat beperkt hij zich tot zijn observatie. Er is veel te lachen. Directeur Jaap, een vlerk die steeds met zijn voet wipt. Collega Bart die steeds zijn bril schoonmaakt en even slim als koppig betoogt dat hij nooit voor wat dan ook verantwoording op zich kan nemen. De luiaard Ad die soms thuis blijft zonder te weten of hij ziek is gemeld dan wel vakantie heeft. Volgens Koning beoefent een gezelschap nietsnutten een wetenschap, volkskunde, die helemaal niet bestaat. Dolkomische satire.

Over Het bureau wordt gediscussieerd als een eeuw geleden over Buddenbrooks. Is het moreel verantwoord mensen zo in hun hemd te zetten als Voskuil doet? Pijnlijk misschien voor de modellen, maar Voskuil/Koning spaart zichzelf evenmin, zegt men, hij beschuldigt zichzelf aan een stuk door. Jawel, en hij vindt al tobbend toch dat hij gelijk heeft. De anderen maken de fouten. In 1950 publiceerde ik een roman De nederlaag, over het leven van Nederlandse dwangarbeiders in Duitsland, de laatste twee jaar van de oorlog. Ik kende dat leven uit ervaring en koos lotgenoten als model voor jongens die ik heel andere dingen liet beleven dan ze in de werkelijkheid hadden gedaan. Er kwam een scheepskok in voor, een vuile oudere man, en hij leek in verschijning, verhalen, gedrag op de scheepskok die ik had gekend. Een paar jaar later stond ik op zo'n Boekenmarkt van de Bijenkorf in Den Haag. Bij mijn stalletje kwam een vrouw die mij vertelde dat zij die kok en zijn vrouw goed had gekend en dat ik schandalig over hem had geschreven. Ze vertelde ook dat het boek bij hem trots op een salontafeltje lag, met een bladwijzer. Het bezoek kreeg te lezen hoe de kok, een dronken nacht van verschrikking op het spoorwegemplacement van Heidelberg, een ellendige Duitse baas onder een trein had geduwd. Die arme kok. Het had gebeurd kunnen zijn. Het was niet gebeurd.

Ik kan me niet voorstellen dat de modellen van Jaap, Bart en Ad pronken met Het bureau. Het zou mooi zijn.