Abchazië is ontvolkt, maar onafhankelijk

In de oorlog tussen Abchazische separatisten en Georgië werden in 1993 200.000 Georgiërs uit Abchazië verdreven. Ze willen terug - maar daadwerkelijk terug kunnen er maar weinigen.

GALI, 12 JULI. Deeltijdvluchtelingen worden ze genoemd, de Georgiërs die overdag de grensrivier oversteken om hun kippen te voeren op het erf waarvan ze in 1993 zijn verjaagd.

Je komt ze tegen op de brug met de vier checkpoints, de enige verbinding tussen de afvallige provincië Abchazië en de rest van Georgië. Op het zuidelijke bruggehoofd zit de eenbenige Zoerab, een Georgische partizaan in een zwart hemd en een zwarte broek waarvan de linkerpijp in een knoop eindigt. “Een plastic mijn van Russische makelij”, legt hij uit.

Wie Zoerab een sigaret geeft, mag doorlopen naar KPP 301, een barricade van pantserwagens, kraaiepoten en betonblokken, bemand door 18-jarige Russische vredeshandhavers uit Omsk. Dan begint het niemandsland: de betonnen boogbrug over de Ingoeri, in 1948 gebouwd door Duitse krijgsgevangenen.

Natalja en haar dochter Lika duwen elk een kruiwagen voort met honderd kilo kunstmest voor hun citroenboomgaard. Op de hete teerweg laten ze een spoor van witte korreltjes achter. Een sigarettenverkoopster trekt een karretje voort met sloffen Dunhill, blauw en rood. En daar loopt de ontroostbare Ada, met in haar ene hand een parasol en in haar andere een witte lelie. Haar jurk en schoenen zijn zwart en ze draagt een broche met een fotootje van haar man Revzad. De lelie is bestemd voor op zijn graf, aan gene zijde van het front.

Voorbij de Russische wegversperring KPP 302 op het noordelijke bruggehoofd zitten Abchazische militairen triktrak te spelen. Hun horloges staan een uur vroeger dan in de rest van het land en ze accepteren geen lari's, de munt van Georgië. Op een container die ze als douanepost gebruiken staat in plakletters: Welkom in de Republiek Abchazië.

De Abchaziërs, een bergvolkje van 90.000 zielen in de uitlopers van de Grote Kaukasus, hebben in een dertien maanden durende oorlog - met nauw verholen hulp van de Russen en ten koste van 10.000 doden - in 1993 het Georgische leger verjaagd, en niet alleen het leger, ook de Georgische gemeenschap die in de subtropische vlakte aan de Zwarte Zee de meerderheid vormde.

Abchazië is ontvolkt, maar onafhankelijk. De flatwijk Nieuw Rayon in de hoofdstad Soechoemi staat voor driekwart leeg. Van het multi-etnische landschap van voor de oorlog is niets meer over. Verdwenen is de afwisseling tussen Abchazische bergdorpen en Georgische boerderijen in de dalen, Russische bureaucraten, Griekse vissers en Armeense handelaren in de kuststeden.

De verdrevenen, een kwart miljoen in getal, wonen nu in krappe flatjes bij hun familie in Georgië, of in sanatoria, hotels en klaslokalen. In Hotel Iveria in Tbilisi, de hoofdstad van Georgië, delen tweeduizend vluchtelingen driehonderd kamers. Murw zijn ze en moe van het wachten (nu al vier jaar), van het voetballen in hun eigen schaduwcompetitie (Hotel Iveria komt in de finale uit tegen het Blindeninstituut) en van het bouwen van extra kamertjes op de balkons (zodat het lijkt of er aan de mondaine Roestavelilaan in het centrum van Tbilisi een verticale sloppenwijk ontstaat).

Omdat de apartheidstoestand onhoudbaar is, hebben de internationale hulpverleners in Georgië en Abchazië zich de vraag gesteld: is het proces van etnische zuiveringen onomkeerbaar? Kun je twee volken na een geweldsuitbarsting weer tot elkaar brengen?

In oktober 1994, een jaar na de oorlog, bracht de vluchtelingenorganisatie van de VN, UNHCR, de eerste zes Georgische gezinnen terug naar de overkant van de Ingoeri. Zij moesten de voorhoede zijn van 80.000 vluchtelingen die zouden profiteren van een verdrag tussen Abchazië, Georgië, Rusland en de Verenigde Naties. Met een budget van vier miljoen dollar, een enthousiaste staf, een gecomputeriseerd registratiesysteem en een mediacampagne om alle partijen in te lichten over het terugkeerprogramma, wilde UNHCR de loop der geschiedenis keren.

Aan de meeste voorwaarden voor succes leek voldaan: Rusland, dat zich als de voormalige koloniale machthebber in de strijd had gemengd, was met een vredesmacht van drieduizend man vertegenwoordigd. 160 VN-waarnemers zouden toezien op hun onpartijdigheid.

De computers arriveerden en de Georgiërs meldden zich in drommen aan voor repatriëring. Maar al gauw ontstond er paniek. De Abchaziërs wilden de lijsten screenen op 'oorlogsmisdadigers'. Wanneer heette je in de ogen van de vijand een oorlogsmisdadiger? Als je man was, ouder dan 18 en jonger dan 60? Als je met een jachtgeweer je dorp had verdedigd?

Niemand durfde als eerste terug te keren. Na acht vergadersessies bracht UNHCR het streefgetal terug van 80.000 tot 40.000. Niet-gouvernementele hulpverleners waarschuwden dat het programma onverantwoord was zolang de mijnen nog niet waren geruimd. Alleen al in de strook tussen de rivier en het irrigatiekanaal, twaalf kilometer dieper Abchazië in, lagen naar schatting 150.000 mijnen.

UNHCR liet een mijnexpert overkomen, startte een voorlichtingscampagne en besloot door te gaan met de terugkeer van 9.000 vluchtelingen. Maar opnieuw lagen de Abchaziërs dwars: zij wilden alleen Georgiërs accepteren die hun republiek erkenden. Voor twee Georgische paramilitaire terreurgroepen, de Paardemannen en het Witte Legioen, was die eis onaanvaardbaar: elke Georgiër die ermee instemde zou als landverrader worden beschouwd.

's Nachts infiltreerden zij het spookstadje Gali in het hart van het proefgebied. Met bommen die ze via een vislijn op afstand lieten ontploffen, pleegden ze aanslagen op de Russische soldaten en op Abchazische militieleden. Die laatsten namen wraak op de al dan niet onder VN-vlag teruggekeerde Georgiërs. In maart 1995 liet een bende Abchaziërs een spoor van geweld achter: tien doden en 35 met bajonetten en brandende sigaretten bewerkte gewonden.

UNHCR gaf het programma op en rapporteerde dat er 311 personen waren gerepatrieerd. Het Georgisch-Abchazische conflict zat muurvast. President Edoeard Sjevardnadze van Georgië, voor wie de afscheiding van Abchazië een persoonlijke nederlaag was, bleef de terugkeer van de verdreven bevolking eisen. Terugblikkend op zijn jaren als minister van Buitenlandse Zaken onder Gorbatsjov, schreef hij: “Ik betreur het dat we ten tijde van de perestrojka niet van meet af aan een nationaliteiten-politiek hebben uitgewerkt.”

Terwijl er inmiddels tussen Moskou, Tbilisi en Soechoemi opnieuw wordt onderhandeld over de georganiseerde terugkeer van de vluchtelingen (als voorwaarde of uitvloeisel van een vredesverdrag), over de status van Abchazië (onafhankelijk, maar binnen Georgië) en over het mandaat van de Russische vredesmacht (dat op 31 juli afloopt en misschien niet verlengd wordt), gaan de wandelaars op de brug over de Ingoeri hun eigen weg.

Omdat het ze te lang duurt, zijn de ontheemden zonder hulp en zonder program aan een annexatie van hun geboortegrond begonnen. Eerst gingen alleen de vrouwen en kinderen, tussen zonsopkomst en zonsondergang. Nu gaan ook de mannen, en steeds vaker blijven ze slapen. Niet dat het gebied veilig is: Georgische commando's van het Witte Legioen voeren een mijnoorlog met de Russische vredesmacht, die ze als een sta-in-de-weg zien voor een militaire herovering van Abchazië.

Al minstens veertig Russische militairen zijn in de bufferstrook langs de Ingoeri gedood. De VN-waarnemers rijden rond in mijnbestendige voertuigen die mamba's heten en uit Zuid-Afrika komen. Negentig procent van de incidenten die zij registreren zijn sabotage-activiteiten van Georgische infiltranten. Toch nemen de terugkeerders in aantal toe: vanaf maart 1996 hebben zo'n 15.000 de oversteek gewaagd.

Er zijn artsen en verpleegkundigen bij, die met wat elementaire hulp van buitenaf een kliniek in Gali hebben geopend. De eerste Georgische school op Abchazisch grondgebied is van start gegaan en over de asfaltweg tussen de rivier en het irrigatiekanaal rijdt een bus. Voor de 58-jarige Givi, een vrachtrijder die genoeg heeft van het leven als vluchteling, is het de tweede keer. Halverwege de brug houdt hij stil. “Daar, het derde huis van links', zegt hij, wijzend op de met citrusbomen begroeide oeverwal. “Met dat dak van zinkplaat. Dat is mijn huis.”