We moeten de baas blijven over onze privacy

De oorspronkelijk militaire technieken van Internet zijn beschikbaar in steeds meer kantoren en huiskamers. Daar zitten, zoals gewoonlijk bij de toepassing van nieuwe technologie, zowel goede als kwade kanten aan. Kwalijk is, aldus Peter Olsthoorn, dat de bescherming van de privacy van Internetgebruikers niet is gewaarborgd. De overheid moet voorkomen dat hun persoonsgegevens ongewild handelswaar worden.

Een weekje Nederlands Internetnieuws: minister Borst machteloos tegen medicijnhandel; chronisch zieken vinden hulp en troost; proces tegen muziekpiraterij; fraude creditcards net zo eenvoudig op Internet als in winkel of via de telefoon; Microsoft distributeur voor 10 uitgevers, waaronder Reed Elsevier en VNU; meer kansen voor midden- en kleinbedrijf; elektronisch auteursrecht niet goed geregeld; 1.500 werklozen krijgen aansluiting.

Of dat nog niet genoeg was, kwam daar de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof over de Communications Decency Act (betamelijkswet) voor de media: de overheid heeft geen zeggenschap over de publicaties op Internet, ook niet om blootstelling van kinderen aan porno, geweld en onwelvoeglijke taal te voorkomen. Niet de uitzending op Internet (en tv), maar de consumptie is de basis voor regulering: als volwassenen menen kinderen tegen publicaties te moeten beschermen, dan moeten ze hard- en/of software hanteren om te selecteren of te filteren.

“Het Congres verbrandt het huis om een varken te roosteren”, schreef opperrechter John Paul Stevens, daarmee ook de regering-Clinton veroordelend wegens haar kortzichtigheid. Deze beeldspraak is van toepassing op de vele oordelen met Internet als onderwerp: overheden en bedrijven miskennen de proporties van de gevolgen van de technologie, dan weer in negatieve dan weer in positieve zin.

Ook in Nederland maken politici beleid op grond van incidenten, en laten bedrijven zich gek maken door adviseurs die hun ten onrechte voorspiegelen dat met Internet alle markten met de snelheid van het licht veranderen. Nederland loopt op het Europese continent voorop met Internet, wat een fraaie prestatie is, maar helaas zonder richtingsgevoel.

In de Verenigde Staten gaat snelheid van zakelijk handelen samen met een intensief debat over fundamentele aspecten. In Europa is dat andersom: de markt reageert inert, terwijl overheden niet in staat blijken principiële debatten aan te gaan. Het gevolg is dat de ene na de andere bewindsman en -vrouw stottert, stamelt en struikelt over Internet.

Zo wordt Internet met de mond beleden, maar weigerden de meeste Tweede-Kamerleden zelf elektronische postbussen te accepteren. Dat de efficiëntie en innovatie van bedrijven en vooral overheden enorm gebaat zijn bij besloten communicatie volgens Internetstandaarden - Intranet en Extranet genoemd - wordt te gemakkelijk over het hoofd gezien.

De lijn tussen verwondering en afgrijzen is dun als het om Internet gaat en dat legt voor filosofen een heel nieuw spectrum aan paradoxen bloot. Zo is Internet een ideaal medium om kinderporno te verspreiden, maar ook voor opsporing van makers en distributeurs. Recent gaf journalist F. van Jole justitie een lesje hoe je dat doet. Binnen enkele uren was de identiteit van een dader vastgesteld.

Dat openbaart ook een paradox, namelijk die van de rechtvaardigheid van dit soort opsporingen en het gebrek aan privacy. De gemiddelde Internetter laat namelijk heel wat sporen na. Hij neemt deel aan discussies waarvan de artikelen nog jarenlang openbaar zijn, nietsvermoedend over de gevolgen. Kennis van persoons' ziekten, specifieke interesses, relaties en zeker ook de manier van communiceren is een potentiële goudmijn voor werkgevers en marketeers. Een mens is hier slaaf van zijn woorden. Maar Internet is ook juist zo aardig omdat velen (informatie) geven en ook weer ontvangen. En dat doen ze vaak liever niet anoniem. Of moet iedereen en masse in virtuele gedaanten gaan communiceren?

Een van de reacties is dat personen steeds meer besloten groepen vormen en zoeken om gelijkgezinden te ontmoeten. Deze gemeenschappen kunnen een besloten net, dus een 'Intranet' vormen. Ook kunnen bedrijven en verenigingen besluiten hun interne netten aaneen te knopen. Dan is er sprake van een 'Extranet', maar nog steeds besloten. Zowel bedrijven als individuen willen liever met bekende, vertrouwde derden communiceren. Intranet en Extranet zijn natuurlijker dan Internet.

Toch zal er veel openbaar verkeer blijven. Slimme marketeers bedenken beloningen om personen over te halen zich bij publicaties te laten registreren en bij bezoek en transactie te identificeren. Bovendien kunnen ze gebruik maken van cookies (koekjes), stukjes software die (vaak stiekem) op de pc van de bezoeker worden geplaatst om diens gangen op Internet te traceren.

Dit hulpmiddel kan ten goede worden gebruikt, bijvoorbeeld als hulp bij identificatie, navigatie en het op maat aanbieden van informatie. Kwaadwillendheid ligt echter op de loer. Wie als bezoeker wil binnengaan bij City Online krijgt enkele honderden van die cookies toegespeeld, wat legaal is maar niet fris. De dienst is behalve van VNU ook van Wegener Arcade, dat recent ook moedwillig het auteursrecht op Internet met voeten trad.

In hoog tempo worden enorme databanken opgebouwd, grotendeels vrijwillig gevoed. Dat wil nog niet zeggen dat de Internetter zich er van bewust is een persoonlijk dossier op te bouwen. Vooral door combinatie van sporen van verschillende aard kan een ver gevorderd beeld van een persoon ontstaan.

De combinatie van toepassing van (chip)kaarten en Internet is bedreigend, zeker indien een betaalsysteem geen anonimiteit waarborgt. Ondernemingen hebben klantgegevens nodig om beter te kunnen opereren, dus mogen ze gegevens tappen waar ze willen. Omdat informatie een hoge marketingwaarde heeft, zullen ze ter verkrijging daarvan beloningen in het vooruitzicht moeten stellen. Zo'n voor-wat-hoort-wat-optie moet open zijn.

Bovendien noopt de snelle toename van het gebruik van chipkaarten en van Internet de overheid tot een adequate reactie inzake privacy: persoonsgegevens mogen geen eigendom zijn van bedrijven, maar hooguit in bewaring worden gegeven. De persoon is en blijft eigenaar. De overheid moet regelen dat burgers het beheer in eigen hand krijgen van àl hun eigen gegevens in bestanden.

Dat is juist mogelijk met Internet. In principe heb je met de pc en straks de telefoon of tv toegang tot alle databanken. Het is technisch mogelijk om toegang te bieden tot louter de eigen gegevens. Tegenstanders zullen zeggen dat dit zo veel rompslomp met zich meebrengt. Dat valt wel mee, en zo niet, dan is privacy die prijs waard. Tenslotte investeren bedrijven ook grote bedragen in direct marketing met die persoonlijke gegevens. Het is een radicale stap, maar noodzakelijk.

Zelfs zijn met Internet technisch gezien de voorwaarden voor realisatie van 1984 van George Orwell geschapen, politiek is dat (nog) niet zo. Het goede van die ontwikkeling overheerst nog, bijvoorbeeld dat binnen een paar jaar iedere grootouder ieder kleinkind in beeld kan krijgen. Het mogelijk kwade moet door de overheid voorkomen worden. Niet de wens om zo snel mogelijk elektronische referenda en andere bijzaken tot stand te brengen, maar bescherming van het publieke en private domein moet voorop staan.

Gebruik van nieuwe technologie was altijd een wankel evenwicht tussen goed en kwaad. Dat zal nog decennialang spelen, want vandaag noch morgen zijn de economische, culturele en maatschappelijke gevolgen van individuele beeldschermcommunicatie te bevatten.