Groei, groei, groei

Neem een ingewikkeld vraagstuk als economie en milieu en vraag het aan een kok. Zegt één van hen: “Een tarbot gedijt het best in niet al te koud water en waar vind je dat in overvloed? Juist, in de onmiddellijke omgeving van fabrieken en kerncentrales en dat is dan ook de plek geworden om ze te kweken.

Je kunt die kweektarbot overigens gemakkelijk herkennen, ze zijn gevlekt, terwijl de wilde tarbot een egaal donkere rug heeft''. Volgt een verhaal over Australische paling die onder de kankergezwellen zit en illegaal via België ons land binnenkomt (HP/De Tijd, 4 juli).

De dolgedraaide voedingsindustrie staat symbool voor veel meer dat niet is wat het lijkt. Bijvoorbeeld de hele discussie over nut en noodzaak van meer vliegverkeer. Het lijkt erop dat de beslissing allang is genomen om de nationale luchthaven verder te laten groeien. Telkens worden nieuwe grenzen omschreven wat betreft het aantal vliegbewegingen of de geluidsoverlast en steeds weer blijken die sneller te worden gehaald, waarbij de betrokkenen wisten dat de grenzen zeer voorlopig waren, maar die kennis achterhielden.

Wat overheerst is een panisch beeld over de economische wedijver: we moeten mee in de ratrace, stilstand is achteruitgang. Kijk maar naar een handvol willekeurige titels uit de recente managementliteratuur: 'Against the Gods', 'The death of competition', 'Welcome to the revolution', 'The innovation war'. Het is even oorlog en alle nadruk ligt op economische groei, die voor een aanmerkelijk deel moet worden verdiend door de ligging van Nederland als aanlegsteiger en doorvoerhaven uit te baten. Toch kan niet alleen getwijfeld worden aan de winstgevendheid van veel investeringen in de infrastructuur die nu woerden voorbereid, maar zouden ook de gevolgen voor het milieu van de huidige groei beter overdacht moeten worden.

Net zoals de enorme stijging van de koersen niet kan voortduren zonder ooit tot een inzinking te leiden, zo begrijpt een kind dat een dichtbevolkt land worstelt met de onbedoelde gevolgen van een toenemende welvaart. De regering oordeelt daar zonniger over en publiceerde twee weken geleden een nota waarin een harmonieus samengaan van economische groei en bescherming van het milieu in het vooruitzicht werd gesteld. Het is een collectief werkstuk van vier ministeries en op de persconferentie zag men de milieu-minister in het rapport bladeren alsof ze het voor het eerst onder ogen kreeg.

De nota bevat een aantal verstandige ideeën, zoals de noodzaak voor ondernemingen om milieuschade als een onderdeel van de strategische beslissingen te zien en niet enkel als kostenpost, maar blijft verder onbestemd in de uitwerking. Zeker waar het gaat om de grote keuzes van de nabije toekomst - Schiphol, Maasvlakte - worden deze zorgvuldig vermeden. Een van de mede-opstellers, de milieu-econoom Hafkamp, typeert deze vaagheid als de uitkomst van lange onderhandelingen tussen de betrokken ministeries (NRC Handelsblad, 18 juni).

Wat te denken van het vergezicht dat wordt geformuleerd? “Het doel is een absolute ontkoppeling van milieudruk en economische groei, dat wil zeggen economische groei gecombineerd met een daling van de milieudruk. Productie, consumptie en mobiliteit zullen dus, vergeleken met de huidige situatie, veel efficiënter moeten worden.” Dat zijn mooie gedachten, die helaas niet door de werkelijkheid van alledag worden gestaafd. Het ene dogma dat alle economische ontwikkeling afbreuk doet aan de natuurlijke omgeving is terecht verlaten, maar dreigt nu te worden ingeruild voor een ander dogma dat economische groei en milieubeheer in elkaars verlengde liggen.

Het duurde niet lang of door onafhankelijker instituties als het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Planbureau (CPB) werd een geheel ander beeld geschetst van de gevolgen van aanhoudende economische groei. Uit de studie van het CPB Economie en fysieke omgeving blijkt van een ontkoppeling van economische groei en milieu-schade niet veel. Integendeel op tal van terreinen is er een duidelijke samenhang. Bijvoorbeeld de CO2-uitstoot stabiliseert zich op het huidige niveau in het scenario met een lage groei, maar stijgt met twintig tot dertig procent tot 2020 in scenario's met een hogere groei, kortom een groei zoals we die nu kennen.

Het is duidelijk dat ook de mobiliteit toeneemt in tijden van economische groei. Zowel het aantal autokilometers als het aantal vliegbewegingen blijven aanzienlijk groeien. Het RIVM komt dan ook in zijn jaarlijkse milieuverkenning tot de volgende algemene slotsom: “De thans vastgelegde beleidsinspanningen zijn echter niet toereikend om de daling van de emissies in de decennia na 2000 vast te houden. De ontwikkeling van de milieudruk zal dan herkoppelen met de economische groei”. Er is toch waarlijk geen diep inzicht nodig om te begrijpen dat aanhoudende economische groei over het geheel genomen tot aanmerkelijk meer energiegebruik zal leiden.

Wie zijn blik wat verruimt begrijpt al helemaal dat de combinatie van bevolkingsgroei en toenemende welvaart in de vroegere ontwikkelingslanden voor een enorme druk op het milieu zal zorgen. De meeste schattingen gaan uit van een verdubbeling van de wereldbevolking tot een niveau van elf miljard mensen ergens in de tweede helft van de volgende eeuw, waarna een stabilisering zou kunnen optreden.

Paul Kennedy schrijft in zijn De wereld in een nieuwe eeuw: “Terwijl we de jaren negentig binnengaan, hebben de trends zich intussen geïntensiveerd: de wereldbevolking is sedert de jaren vijftig meer dan verdubbeld, maar 's werelds economische activiteiten hebben zich meer dan verviervoudigd. [...] Aan de conclusie valt niet te ontkomen dat bevolkingsgroei en een zich steeds verder uitbreidende industrialisatie tot een milieucatastrofe leiden”. Zulke nuchtere verbanden tussen demografie, economie en milieu zijn aan onze regering niet echt besteed.

Het is zeker waar dat de onwil van belangrijke handelspartners de mogelijkheden verkleint om hier iets effectiefs te doen aan bijvoorbeeld het broeikaseffect. Maar ondertussen hebben we in Nederland één van de meest pragmatische kabinetten ooit: 'Werk, werk, werk' is de leuze. Het verbaast dan ook niet dat deze regering begon met het afschaffen van de minister van Cultuur. De poldergeest die door Nederland waart blijkt steeds meer een plat succesverhaal, waarbij voorbij wordt gegaan aan de schaduwzijden van de roep om groei, groei, groei. Van Kok kun je veel zeggen, maar niet dat hij ooit enige affiniteit heeft getoond met het milieubeleid. Zo precies als hij is over de monetaire criteria (drie procent financieringstekort is drie procent), zo rekkelijk toont hij zich over de normen voor het milieu (de drie procent vermindering van CO2 uitstoot wordt bij lange na niet gehaald).

Bestaat er werkelijk de durf om Schiphol aan grenzen te binden? Wil men echt de veestapel drastisch inperken? Kiest de regering voor een aanmerkelijke verhoging van de brandstofaccijnzen? Dat zijn stuk voor stuk moeilijke afwegingen, maar tot nog toe heeft Nederland een relatief vervuilende economie met zijn nadruk op zware industrie, transport en intensieve landbouw.

De verzoening van milieubehoud en economische groei die wordt nagestreefd, ogenschijnlijk om het milieuvraagstuk te 'integreren', betekent in de praktijk dat de schending van de natuurlijke omgeving veel van de vroegere nadruk heeft verloren. In Intermediair (van 26 juni) kan men lezen hoe het ministerie van VROM in deze fuik is beland uit angst om in de marge verzeild te raken. Hafkamp zegt het zo: “De overheid moet onder ogen zien dat een duurzame economische ontwikkeling niet altijd gepaard kan gaan met win-win-situaties”. De echte wereld is inderdaad wat weerbarstiger.

Juist een openlijke meningsvorming over de inrichting van Nederland, dat als land door en door een menselijke schepping is, zou kunnen bijdragen tot een herwaardering van de maakbaarheid en dus tot een geloof in politiek handelen. Maar dan is meer nodig dan een milieubeleid dat de schone schijn ophoudt.

Het beleid van deze regering doet teveel denken aan het verhaal van de koks, dat al eerder ter sprake kwam. Een van hen toont een potje en zegt: “Dit had vijftig gram kaassauce met Italiaanse kruiden moeten worden. Uiterste consumptiedatum maart 1992. Steek je neus er maar eens in, prima toch? Heb je wel eens echte kaas vijf jaar bewaard en eraan geroken?”. De plannenmakers van onze regering baseren houdbaarheid op soortgelijk bedrog, maar wat is de uiterste consumptiedatum van ons milieubeleid?