Kwallengif

Ze liggen roerloos en glazig op het strand. Je kijkt er bijna doorheen, maar als je er op stapt gaat je voet toch een beetje jeuken. Kwallen zijn het. Op het strand zien ze er uit als hopeloze klompjes drilpudding, maar toch zijn het dieren.

Zolang ze niet aanspoelen zwemmen en drijven ze in zee. Dan lijken het net zwevende parasollen. Of paddenstoelen. Vlak onder het parasolscherm zitten vier of meer geribbelde gelei-achtige uitsteeksels. En er zweven lange haren onder, waar knobbeltjes op zitten. De lange haren zijn tentakels. In de knobbels zitten netelcellen. Als je die netelcellen aanraakt prikken ze alsof je een brandnetel aanraakt.

Kwallen hebben hun tentakels om eten mee te vangen. Kwallen eten plankton, kleine zeediertjes, garnaaltjes en soms vissen. Als een beestje tegen de kwallententakels aandrijft schieten de netelcellen kleine bommetjes met verlammend gif naar buiten. De kwal kan zijn prooi dan rustig opeten. Je zou het niet zeggen als je er een op het strand ziet liggen, maar een kwal heeft een mond. Die zit tussen de geribbelde uitsteeksels midden onder het dier. De uitsteeksels heten mondarmen, maar eigenlijk zijn het dikke puisterige lippen waarmee de kwal zijn voedsel naar binnen duwt. Behalve die rare arm-lippen is er nog iets eigenaardigs met de mond van de kwal. Het is meteen zijn poepgat, en zijn piemel (als het een mannetje is) of haar vagina (als het een vrouwtje is). Een kwal heeft maar één in- en uitgang.

Weet je trouwens waar kwallen vandaan komen? Ze groeien op de zeebodem. Ze lijken dan op bleke planten met takken en met harige armpjes waar ze plankton mee uit het zeewater filteren. Toch zijn het dieren. Poliepen heten ze en in de Noordzee groeien ze op stenen en gezonken schepen. Zee-anemonen zijn familie van de kwal. Een zee-anemoon blijft altijd vastzitten aan de zeebodem en is toch ook een dier. Maar een poliep maakt in het voorjaar soms opeens rare insnoeringen in zichzelf. Even ziet hij er dan uit als een stapel slappe puddingschaaltjes. Een voor een laten de schaaltjes los en dan zijn het kwalletjes die al rondzwemmend groot worden.

Als je tegen een kwal aan zwemt, of hem aanraakt, schiet hij ook gifbommetjes naar jou toe. Uit zo'n gifbommetje (netelkapsel heet het eigenlijk) schiet een draadje, soms met wat weerhaakjes eraan die in je huid terecht kunnen komen. Er zijn ook netelkapsels waar een kleverige draad uitkomt die aan je huid plakt. Of er komt een krullende draad uit die om een haartje op je huid blijft zitten. De netelkapsels zie je niet, zo klein zijn ze. Uit een netelkapsel komt een klein beetje gif. Een kleine garnaal kan er verlamd van raken, maar jij zwemt gewoon door. Het jeukt wel, maar de kwallen die in Nederland zwemmen en aanspoelen maken geen gif dat gevaarlijk is voor mensen.

Wil je een gevaarlijke kwal tegenkomen, dan moet je naar Australië gaan. Daar leeft de zeewesp. Het is geen insect maar een echte kwal. Je kunt dood gaan als je bent geraakt door een salvo van zijn netelkapsels. De ergste Nederlandse kwallen zijn de gele en blauwe haarkwal. Als er bij het zwemmen in zee opeens zo'n haarkwal tegen je arm aanplakt, hoef je niet voor je leven te vrezen. Je kunt daarna wel een dag koortsig en rillerig zijn en een rode huid krijgen op de plaats waar de kwal beet. Alleen als je allergisch voor kwal bent word je zieker. Haarkwallen hebben ook veel dunne en lange tentakels. Daar kun je tegenaan zwemmen zonder de bijbehorende kwal te zien. Als je na het zwemmen in zee flinke jeuk aan de binnenkant van je armen krijgt, of op je buik, dan kun je er bijna zeker van zijn dat je tegen kwallententakels bent gezwommen. Op de plaatsen waar je huid zacht en dun is merk je het best dat je tegen tentakels bent gezwommen, want netelkapsels kunnen moeilijk door het eelt van je handen en voeten en het dikkere vel op je benen en aan de buitenkant van je armen heen schieten. Kwallen die op het strand liggen kun wel bij hun hoed oppakken. Bovenop zitten niet zoveel netelcellen en de huid op je vingers is dik genoeg om geen last te krijgen van de netelkapsels.

Behalve de blauwe en gele haarkwal kun je in Nederland ook de zeepaddenstoel, de oorkwal en de kompaskwal op het strand vinden. Kwallen spoelen vooral aan als de wind van land naar zee waait. In Nederland is het dan oostenwind. De bovenkant van het water waait dan van de kust weg en de laag water daaronder, waarin de kwallen drijven, stroomt naar de kust. Aangespoelde kwallen gaan binnen een paar uur dood, want ze drogen snel uit. Maar toch kunnen ze je dan nog steeds prikken. Als de netelcellen worden aangeraakt vuren ze hun netelkapsels automatisch af, ook als de kwal waar de netelcellen in zitten al een tijdje dood is.