Schilderijen uit Haags Gemeentemuseum in Kunsthal; De voorkeuren van zakenpartners

Tentoonstelling: Monet, Van Gogh, Picasso en vele anderen. Hoogtepunten uit een Haagse collectie. Kunsthal Rotterdam. T/m 5/10.

Een tentoonstelling met de wat oubollige titel Monet, Van Gogh, Picasso en vele anderen, doet een soort 'alle dertien goed' vermoeden. Te vrezen valt een min of meer toevallig samenraapsel van hoogtepunten, in dit geval uit de collectie negentiende- en twintigste-eeuwse kunst uit het Haags Gemeentemuseum.

Toch is een bezoek aan deze expositie de moeite waard, al was het maar om de kennismaking te hernieuwen met een aantal mooie werken uit de Haagse collectie die, in verband met de verbouwing van het museum, daar al enige tijd niet kunnen worden geëxposeerd. Daarnaast is er een selectie te zien van werken uit het prentenkabinet, die vanwege hun kwetsbaarheid ook 'thuis' zelden worden tentoongesteld. En bij nadere beschouwing heeft de tentoonstelling nog een andere, onverwachte meerwaarde.

De selectie van zo'n 120 schilderijen, sculpturen, tekeningen en prenten vertelt, vaak tussen de regels van de bijschriften door, iets over de verzamelgeschiedenis van het Gemeentemuseum en over de opvattingen en ambities van de respectievelijke directeuren en conservatoren. De oorsprong van de collectie moderne kunst ligt in 1866, toen de 'Vereeniging tot oprichting van een Museum voor Moderne Kunst te 's-Gravenhage' zich begon in te zetten voor een serieus verzamelbeleid op dit gebied. Het genootschap had een vrij behoudende smaak, met een sterke voorkeur voor negentiende-eeuwse Haagse landschapsschilders. Pas omstreeks 1920 begon de toenmalige directeur van het museum, H.E. van Gelder, zich steeds sterker persoonlijk te bemoeien met het aankoopbeleid.

Van Gelder, directeur van 1912 tot 1941, streefde ernaar de Nederlandse kunst, die de kern van de verzameling vormt, in haar Europese context te presenteren. Een van zijn aandachtspunten was het tonen van de schilders van de Haagse School in relatie tot de gelijktijdige Franse impressionisten. In 1932 verwierf hij daartoe op een veiling in Parijs de Netten van Pourville van Claude Monet (1882).

Anders dan in de vaste opstelling van het Haags Gemeentemuseum, is dit schilderij nu samen met andere werken van Franse meesters, volgens Van Gelders plan opgehangen in confrontatie met Nederlanders als Jongkind, Weissenbruch en Roelofs. Van de verpersoonlijking van de trait d'union tussen Nederland en Frankrijk, Vincent van Gogh, is er de Tuin te Arles uit 1888. Overigens is de Monet een van de weinige Franse schilderijen die Van Gelder zelf heeft kunnen aankopen. Zijn opvolger L.J.F. Wijsenbeek probeerde na de oorlog Van Gelders plannen alsnog te verwezenlijken. Maar het is symptomatisch voor de veranderingen die de kunstmarkt inmiddels had ondergaan, dat hij in 1960 wegens ontoereikend budget op een veiling niet de beoogde werken van Cézanne, Picasso en Paul Klee kon aankopen. Het bleef bij nog een Monet: de Blauwe regen, een laat werk van de schilder uit 1925.

Zulke factoren die de vorming van een collectie bepalen, onttrekken zich vaak aan de waarneming van de museumbezoeker. De informatie die bij ongeveer de helft van de tentoongestelde werken wordt gegeven, maakt daarvan iets meer duidelijk. Vaak blijken persoonlijke contacten met kunstenaars en verzamelaars doorslaggevend te zijn. Zo was directeur Van Gelder goed bevriend met de schilder Isaac Israëls en diens familie. Na Israëls' dood schonk zijn dochter in 1935 een tekening van deze kunstenaar aan het museum. Via hetzelfde kanaal was Van Gelder zelf in bezit gekomen van een in Nederland zeldzame potloodtekening uit de privé-collectie van Israëls: het Portret van Mlle Thevenin van de Franse schilder Ingres (1816). Van Gelder schonk het blad aan het museum toen het na de oorlog werd heropend.

Zwaartepunten in de collectie worden soms verklaard door de voorkeuren van zakenpartners. Het relatief grote aantal litho's in het Haagse prentenkabinet bijvoorbeeld, vindt zijn oorsprong in de groep van maar liefst 5.000 stuks grafiek in deze steendruk-techniek, waaronder werken van Toulouse-Lautrec, Honoré Daumier en Edouard Vuillard, die Van Gelder in 1927 kocht van Simon Moulijn. Deze graficus en kunsthandelaar maakte zich sterk voor de bevordering van de lithografie, een techniek die tot dan toe vooral geschikt werd geacht voor weinig pretentieus drukwerk en reprodukties.

In 1970 werd deze deelverzameling nog verder uitgebreid door de aankoop van een groep werken van de Franse graficus Rodolphe Bresdin (1825-1885). Een ervan is een litho met het bijbelse verhaal van de Barmhartige Samaritaan (1861) - een prachtig gedetailleerd, dichtbegroeid boslandschap met een doorkijkje op een stad in de achtergrond. Pontificaal in het centrum van de compositie staat een kameel, die het verhaal van de Samaritaan volledig in de schaduw stelt. Het blad werd verworven uit de collectie van de Bresdin-kenner en verzamelaar Dirk van Gelder - inderdaad, de zoon van.