'Neem uw fiets op en wandel'

Op Schiermonnikoog worden auto's geweerd, op Ameland niet - dat maakt een groot verschil. Schiermonnikoog mag voller zijn dan vroeger, het is er toch betrekkelijk stil en overzichtelijk gebleven.

De bedenker van de naam Lauwersoog moet er aardigheid in gehad hebben om bezoekers op het verkeerde been te zetten. Lauwersoog is geen eiland, zoals het woord zegt, zelfs geen dorpje, maar alleen een haven met sluis en visafslag. Huizen zijn er niet, een recreatieterreintje ligt verderop tussen de jonge aanplant. Als ik op mijn vouwfietsje kom aanrijden, heb ik net nog tijd om wat te eten bij de viskraam - de veerboot naar Schiermonnikoog vertrekt over een kwartier.

Het personeel van rederij Wagenborg gaat gekleed in felrode overalls. Het halletje van de kaartverkoop lijkt op een Amsterdamse metrohalte. Als ik met mijn vouwfiets aan kom lopen, zegt de kaartverkoper: “Fietsen blijven buiten.” “Wacht even”, zeg ik en ik klap mijn fiets op tot een pakketje dat verdwijnt tussen de handbagage. Het gezicht van de kaartverkoper wil niet erg opklaren. “Zo heb je een fiets en zo heb je niets”, probeer ik. Dat helpt. Hij slaat me aan voor passagier zonder fiets. “Maar wel optillen”, zegt hij als ik door de klaphekken wil. Dan verbetert hij zich: “Neem uw fiets op en wandel.”

De Rottum naar Schiermonnikoog is een platte bak met stuwstraalaandrijving. De auto's - alleen vrachtwagens en auto's van inwoners mogen mee - gaan op het bovendek en daaronder liggen somber de passagiersaccommodaties. Gelukkig is er een brugdek, waar je een frisse neus kunt halen. Groot is de Rottum niet, maar wel veel groter dan het veerbootje dat mij in 1962 voor het eerst naar Schiermonnikoog bracht. Dat was nog uit Oostmahorn, dat nu aan het Lauwersmeer ligt. Er werd toen alleen met hoogwater gevaren, maar wel rechtstreeks naar het dorp Schiermonnikoog. Nu vaart de Rottum naar een nieuwe dam, buiten het dorp. Die dam ligt er ook al weer dertig jaar, hoor ik. Ach, ik word oud.

Het is tien minuten fietsen naar het dorp en ik probeer iets te herkennen van vroeger, maar ik zie niets. Op zoek naar een camping fiets ik per ongeluk een bungalowparkje binnen. Wat is er zo aardig aan dit parkje, vraag ik me af en dan weet ik het: er staan geen auto's bij de huisjes. Het is er schoon en stil. Het lijken de jaren vijftig wel. Maar dit bungalowparkje is nieuw, net als het rijtje ouderwets ogende huisjes aan de rand van het dorp. Eén huis heeft zelfs een muuranker - van 1994. Er is heel wat bijgebouwd, maar Schiermonnikoog is nog overzichtelijk.

“Het is hier prettig wonen”, beaamt prof.dr. A.D. de Groot, psycholoog te Schiermonnikoog. “Al wordt het hier in de zomer wel eens druk”, vult zijn vrouw aan. “Toen we hier 23 jaar geleden kwamen zeiden ze al: kom maar niet, het eiland is het eiland niet meer.”

Ondanks de komst van aardgas en kabeltelevisie is het eilandgevoel gebleven. De Groot: “Neem de criminaliteit. We hoeven hier niet alles op slot te doen. En als we het wel doen, zoals laatst toen we een tijdje aan de wal waren, dan helpt het toch niet. De postbode had een groot pak in de kamer gezet met een verontschuldigend briefje erbij.”

Wie van fietsen op schelpenpaadjes houdt, kan zijn hart ophalen op Schier. Maar dat het eiland een Nationaal Park is weet ik na tien borden wel. Ik kom een fietsend negerjongetje in tuinbroek tegen, met twee Duitse dames. Het is de eerste zwarte die ik op de Wadden zie. Ook allochtonen zie je hier niet. De laatste resten blank Nederland.

Enkele dagen later ga ik naar Ameland. De pier vanaf Holwerd naar de boot leidt door een geheimzinnig, borrelend kwelderlandschap. Met twee andere fietsers ben ik de enige die dat opmerkt, want de Sier, de splinternieuwe reuzenveerboot, zit verder vol auto's. Ameland mikt op de autotoerist en dat is merkbaar op de campings, die voornamelijk uit stacaravans bestaan. Dan maar in het wild kamperen. Ik vind een plekje op de stuifdijk met uitzicht op de Zoute Weide. Als ik buk of zit, kunnen wandelaars en fietsers me net niet zien. Er zijn al drie boswachters op de brommer voorbijgekomen. Dan hoor ik paardenhoeven. Ik houd me laag. “Hé, een tent”, hoor ik zeggen. Verdorie, toch ontdekt.