Meertens verdient biografie

De Parelduiker, jaargang 2, nummer 2. Uitg. Stichting Het Oog in 't Zeil i.s.m. uitg. Bas Lubberhuizen. 72 blz., prijs ƒ 17,50,-

Wat men ook vindt van J.J. Voskuils fenomenale romancyclus Het Bureau (blijkens de verhitte discussies op de opiniepagina's van deze krant lopen de meningen daarover nogal uiteen), het P.J. Meertens Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde is er onsterfelijk door geworden.

In De Parelduiker wordt aan de geschiedschrijving van dit instituut weer een aantal details toegevoegd. Evert Paul Veltkamp, hoofd van de archieven van de Raad van Ministers van de Europese Unie, beschrijft hoe de dichter Gerrit Achterberg in 1946 - nadat hij wegens de moord op zijn hospita jarenlang psychiatrisch was verpleegd - dankzij de directeur van Het Bureau, P.J. Meertens, weer aan het werk kon komen. Ondanks aanbevelingsbrieven van invloedrijke vrienden als Hoornik, Vestdijk, A. Roland Holst en Nijhoff, wilde niemand de ter beschikking van de regering gestelde Achterberg aan een baantje in een archief of bibliotheek helpen.

Diverse afdelingen van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen weigerden hem, de Koninklijke Bibliotheek verzon een smoes, maar de goedige Meertens liet de dichter voor 1800 gulden per jaar folkloristische onderzoekingen doen voor zijn Instituut. Toen het ministerie na een jaar een rapportage wilde, schreef Meertens prompt een brief met een overzicht van Achterbergs activiteit: het excerperen van een lijst van aardrijkskundige namen in Nederland en het invullen van de bij Voskuils lezers inmiddels overbekende vragenlijsten. Nutteloos werk, zoals wel meer voorkwam op Het Bureau, maar wel aardig van Meertens en vol mededogen jegens de beklagenswaardige Achterberg.

P.J. Meertens, de zo meesterlijk getypeerde mijnheer Beerta uit Het Bureau, is een bijzonder interessante man geweest, ook buiten het later naar hem vernoemde instituut. De verzetsman, socialist en letterkundige maakte al in de jaren veertig geen geheim van zijn homoseksualiteit, wat hij met gevangenisstraf heeft moeten bekopen. Eigenlijk is Piet Meertens iemand die een biografie verdient, zo kwam na lezing van De Parelduiker bij me op. Veel auteurs die bijdragen leveren aan dit betrekkelijk nieuwe, maar steeds weer verrassende tijdschrift zijn biografen, vandaar. De neerlandicus Gé Vaartjes, die een mooi stuk schreef over Top Naeff is - blijkens een voetnoot - bezig met de biografie van Herman de Man. Waarom De Man, en waarom niet Naeff, de beroemde toneelcritica en schrijfster van Schoolidyllen over wie Vaartjes zo meeslepend weet te vertellen? Veel van wat hij nu in De Parelduiker uit de doeken doet, heeft hij al eerder opgeschreven, onder andere in zijn nawoord bij Naeffs in 1988 herdrukte memoires Zo was het ongeveer. Daarin schreef hij voor het eerst over haar buitenechtelijke liefdesrelatie met de beroemde toneelregisseur Willem Royaards. In zijn Parelduiker-artikel beschrijft Vaartjes een heel ander soort liefde: Top Naefs moederlijke gevoelens voor de negentienjarige acteur Mari Bosland die in 1943 in een Duits concentratiekamp om het leven kwam.

Een ander groot artikel in de nieuwe Parelduiker is gewijd aan de verzwegen (jeugd)gedichten van de romanschrijver A. Alberts. De auteur, Anthony Dekker, werkt aan Alberts' biografie. Een moeilijke opgave, want hij was 'geen man die zich zelf gemakkelijk verkocht'. De gedichten die Dekker heeft opgeduikeld en integraal publiceert stellen weinig voor. Ze dienen slechts als aanleiding voor een uitvoerige biografische schets, die interessante feiten bevat, maar nogal onevenwichtig geschreven is. Kennelijk is de biograaf nog aan het zoeken naar zijn vorm: nu eens schrijft hij in de verleden tijd, dan weer in de tegenwoordige tijd, en zijn taalgebruik is hier en daar nogal populair. Over Alberts lerares Nederlands aan de Apeldoornse HBS schrijft hij bijvoorbeeld dat 'haar verleidelijke blik vanachter de strenge brillenglazen haar leerlingen, die natuurlijk in de eerste plaats hormonenbommen waren, te vaak (deed) afdwalen van Vondels alexandrijnen'. Hinderlijk is bovendien dat hij, over het hoofd van de gebiografeerde heen, generaliserende oordelen over andere schrijvers velt. 'Bij Alberts vinden we niet de onthutsende gemaniëreerdheid waarmee het gros van de hedendaagse schrijvers tracht oorspronkelijk te zijn. In de Nederlandse literatuur van nu laten de dikkeboekenschrijvers (...) geen kans onbenut om de magie van het woord om zeep te helpen.' Zulke zinnetjes zeggen meer over Dekkers literaire voorkeur dan over Alberts.

Is er trouwens al een biograaf met Simon Carmiggelt bezig? Zo ja, dan wordt ook die in De Parelduiker bediend met het even opzienbarende als genuanceerde stukje van Nop Maas over het gedicht Danseres aan de zee dat de latere verzetsman in 1931 aan de latere nazi-propagandiste Leni Riefenstahl opdroeg.