Kloof Noord-Zuid dieper op milieuconferentie

De geest van 'Rio' is vorige week uiteindelijk niet teruggekeerd op de milieuconferentie van de Verenigde Naties in New York. De bescheiden euforie die er vijf jaar geleden op de wereldmilieuconferentie in Rio de Janeiro bestond, is weggebleven.

NEW YORK, 30 JUNI.Aan het eind van de conferentie in New York die de resultaten van vijf jaar 'Rio' moest beoordelen, overheersten teleurstelling en desinteresse onder de onderhandelaars. De belofte van de Amerikaanse president Clinton om in december in Kyoto met bindende en wezenlijke toezeggingen over beperking van de CO2-uitstoot te komen wordt als voornaamste resultaat gezien.

Volgens minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking had veel onheil voorkomen kunnen worden als vooraf beter was nagedacht over doel en inrichting van de bijeenkomst die in essentie een 'review-conference' moest zijn: een evaluatie-bijeenkomst. De VN hebben weinig ervaring met dit soort bijeenkomsten, waarvan er nog ettelijke komen. Een evaluatie-bijeenkomst zou, in Pronks analyse, moeten bestaan uit een inventarisatie van inspanningen en vorderingen van de afgelopen jaren en een openlijke beoordeling van de wederzijds behaalde resultaten. Ten slotte zouden dan de beste van de gekozen oplossingen kunnen worden aangewezen.

Wat er de afgelopen week in New York gebeurde had daar weinig van weg. De staatshoofden en regeringsleiders die, geheel los van de onderhandelingen over het slotdocument, het woord voerden kwamen met veel boetedoening over het gebrek aan resultaten, maar steeds in algemene, weinig analyserende termen. Daar tegenover stelden ze een keur aan persoonlijke wensen. De een wilde meer aandacht voor bossen, de ander meer aandacht voor water en een derde vroeg zich af of er geen nieuwe VN-milieu-organisatie moest komen.

Tot een nuttige openlijke evaluatie van het 'Rio-proces' is het niet gekomen, dat wordt overgelaten aan de VN-commissie voor duurzame ontwikkeling (CSD) die er ook ten dele voor is opgericht. Liever concentreerde men zich weer op iets moois en nieuws, zoals een bosverdrag dat de tegenhanger had moeten zijn van de met 'Rio' samenhangende verdragen over klimaat, biodiversiteit en verwoestijning. Bij nader inzien bleken maar weinigen echt in zo'n verdrag geïnteresseerd, de milieu-organisaties al helemaal niet, en moest het als een succes worden verkocht dat in de slottekst de weg naar een bosverdrag niet is geblokkeerd.

De pijnlijke uitkomst van 'New York' is dat enerzijds zo onverbloemd is toegegeven dat er niet veel is terecht gekomen van het toch al zo weinig verplichtende Rio-actieplan 'Agenda 21' en dat er anderzijds vrijwel geen hoop op beterschap is geboden. De inspirerende politieke verklaring die nog iets van élan had moeten verschaffen is te elfder ure afgeschoten. Een krachtige verklaring waarin de industrielanden beloofden de sinds 'Rio' almaar verder afkalvende ontwikkelingshulp weer op peil te brengen heeft het niet gehaald. Het wonderlijke was dat ook de ontwikkelingslanden zelf, verenigd in de G77, er geen belangstelling meer voor hadden.

Waarom dat zo was werd niet duidelijk, maar kennelijk begint de grote heterogeniteit van de G77, waarin behalve de arme landen van Afrika en de niet-zo-arme landen van Latijns Amerika ook de opkomende economieën van Oost-Azië en de OPEC-staten zijn verenigd, een ongunstige rol te spelen in dit soort onderhandelingen. De G77 opereert onvoorspelbaar, zeker als de voorzitter (de huidige is Tanzania) zijn leden niet goed in de hand heeft. Ook binnen de G77 voelt men het probleem van de heterogeniteit, men ziet het als een zwakte die de industrielanden het middel geeft om de groep op elk moment uit elkaar te spelen.

Het wantrouwen tussen Noord en Zuid dat in 1992 in Rio wat leek te verminderen bleek in New York weer sterk vergroot. “De ideologische tegenstelling is duidelijk toegenomen”, aldus Pronk die de mislukte onderhandelingen over de ontwikkelingshulp leidde. Voor de industrielanden gaat 'Rio' vooral over milieu, voor de arme landen gaat het vooral over economische ontwikkeling, maar ook over erkenning van armoede als een groter probleem dan het milieu, en verder over soevereiniteit versus bevoogding. Ze willen best 'duurzaam' ontwikkelen maar niet als het een voorwaarde voor ontwikkelingssteun is. En alleen als de rijke landen het ook doen. Niet voor niets zijn 'armoede' en 'consumptie- en produktiepatronen' als overriding issues in het Rio-proces aangewezen, criteria waaraan in principe alle acties in het kader van 'Rio' worden getoetst. 'Consumptie- en produktiepatronen' is de codeterm waarin de grondstoffenverspilling van de rijke landen wordt aangeklaagd.

Het is de bescheiden winst van New York dat nu 'eco-efficiëntie' als dominant criterium is toegevoegd. Aandacht voor het grondstofverbruik van produkten en processen is een Nederlands stokpaardje dat hier al eerder vorm kreeg in het zogenoemde 'factor vier'-streven. De bedoeling daarvan is het grondstoffenverbruik van economische groei méér dan volledig te compenseren met een vermindering van het grondstofverbruik per produkt. In het slotdocument staan over streven en haalbaarheid welwillende woorden.