Avantgarde kreeg plek in Finsterwolde

Het uur van de wolf: Groeten uit Finsterwolde. NPS, Ned.3. 23.09-23.59u.

Eigenlijk wilde beeldend kunstenaar Karl Iljitsj Pelgrom (1927-1994) begin jaren zestig naar Zuid-Amerika vertrekken. Zijn weduwe, de kinderboekenschrijfster Els Pelgrom, vertelt in de documentaire Groeten uit Finsterwolde, vrij onderkoeld over deze onalledaagse verhuisplannen. Tussen droom en daad, stonden, ook voor de trotskist Pelgrom, praktische bezwaren. Zonder baan of vast inkomen in het vooruitzicht vond hij deze sprong toch té gewaagd. Uiteindelijk belandde hij met zijn jonge gezin in het Oost-Groningse dorp Finsterwolde. In cultureel opzicht was dit ook een onherbergzaam oord, maar herenboer Albert Waalkens die in zijn stal een galerie was begonnen, bood het gezin Pelgrom steun en onderdak. Al spoedig werd het 'rode' Finsterwolde een trekpleister voor de internationale avantgarde.

Een aantal jaren waren Pelgrom en Waalkens dik bevriend. Pelgrom exposeerde zijn primitieve houten beelden in de galerie en gezamenlijk maakten zij de keuze voor de grootscheepse manifestatie Beeld-en-Route waarbij meer dan tweehonderd beelden in het dorp en de wijde omgeving tijdelijk een plek vonden. Tegenwoordig organiseert bijna elke zichzelf respecterende gemeente 's zomers een beeldentocht, maar dertig jaar geleden was dit nog iets geheel nieuws. Oude filmbeelden tonen het idealisme van de samenstellers en de spottende verbazing van de plattelandsbevolking.

Terwijl boer Waalkens met onorthodoxe tentoonstellingen steeds meer belangstelling trok van jonge kunstenaars uit de Randstad onder wie Ger van Elk, Pieter Holstein, Jan Sierhuis, Reinier Lucassen en Jan Dibbets, bleef hij in de ogen van de meeste dorpsgenoten gewoon een gek. Eén van de uitzonderingen was Wim Zomer, tegenwoordig beter bekend uit de soap-serie Goede Tijden, Slechte Tijden. Als jeugdige manager van de popgroep De Ro-d-ys bezocht hij met zijn band regelmatig de openingsfeesten die tot diep in de nacht duurden.

Oost-Groningen lijkt sinds de jaren zestig niet wezenlijk veranderd. Beelden tonen het uitgestrekte, melancholieke akkerlandschap, monumentale boerderijen en arbeidershuisjes waar de bewoners nog steeds afwerend-nieuwsgierig reageren op de passerende televisiecamera's. De land-art projecten van Van Elk en consorten en van de Amerikaan Dennis Oppenheim hebben inmiddels (kunst)geschiedenis gemaakt, al weet Van Elk nu niet meer wat hij bedoelde met die 'vormeloze hoop ellende' van vloeibare poly-urethaan-schuim die hij over Waalkens' akker liet lopen.

Pelgrom is met zijn Instituut voor Creatief Werk (ICW) in de vergetelheid geraakt. De oprichting van het ICW in 1968, een commune met enkele studenten van de Groningse Academie Minerva waar Pelgrom doceerde, luidde het einde in van de vriendschap met boer Waalkens. Na de tentoonstellng Interieur Anoniem waarvoor het ICW collectief tekende, hield Waalkens het voor gezien. Hij had weinig affiniteit met de politieke bedoelingen van Pelgrom en de zijnen, zo verklaart hij achteraf de verwijdering.

Waalkens blijkt een intrigerender, oorspronkelijker persoonlijkheid dan Pelgrom aan wie deze documentaire is gewijd. Grote kunst heeft het ICW, een typische exponent van de jaren zestig, niet opgeleverd. Wel schetsen de makers met oude en nieuwe opnames een aardig beeld van dit experiment dat op voorspelbare wijze vastliep. Het is ook interessant om te zien wat er van de deelnemers geworden is. Pelgrom sleet zijn laatste dagen in Amsterdamse cafés. Sommigen, zoals Gjalt Blaauw, zijn nog steeds als beeldhouwer werkzaam, een ander was naar eigen zeggen op zijn zevenentwintigste 'opgebrand' en is nu campinghouder in het naburige Nieuwolda.