Vrouwenarts Eylard van Hall: 'Ik ben een echte man, daar heb ik het niet moeilijk mee'

De afgelopen 25 jaar ontmoette hoogleraar gynaecologie Eylard van Hall veel weerstand. Hij waar- schuwde voor snijlustige gynaecologen, betoonde zich een groot pleitbezorger van vrije abortus en vindt dat collega's vrouwen reduceren tot hun geslachtsdelen. Een tirade tegen de medicali- sering van de samenleving. 'Ik heb er moeite mee gehad dat men mij niet au sérieux heeft genomen.'

Vrouwen worden vaak als ziek, zwak, misselijk en breekbaar gezien, vanaf hun eerste menstruatie tot lang na de menopauze. Ik ben ervan overtuigd dat die negatieve visie op vrouwen diep cultureel zit ingebakken. Vrouwen gaan meer naar de dokter dan mannen, dat is waar. Maar een groot deel van de consulten gaat over voorbehoedmiddelen of zwanger worden, en dat heeft meer met gezondheid dan met ongezondheid te maken. En ik geloof ook dat ze sneller naar de dokter gaan omdat ze minder bang zijn dan mannen om problemen onder ogen te zien en om hulp te vragen. Vrouwen zijn sterker dan mannen.''

Deze stelling poneerde Eylard van Hall verleden week in zijn afscheidscollege als hoogleraar gynaecologie aan de Rijksuniversiteit in Leiden, waar hij in 1972 werd benoemd. Van Hall zette zich de afgelopen 25 jaar in voor de vrijheid van abortus, het 'baas in eigen buik'-standpunt, pleitte voor een toename van vrouwelijke gynaecologen, waarschuwde voor 'de snijlustige gynaecoloog' en wees er op dat het specialisme zich te weinig om de vrouw zelf bekommerde en te veel om haar geslachtsorganen. Uitspraken die bij de doorgaans mannelijke en conservatieve beroepsgroep van gynaecologen veel weerstand opriepen.

Tien jaar geleden was hij medeoprichter van het Nederlands Specialisten Genootschap, dat onder meer strijdt voor de ontkoppeling van verrichtingen en inkomen. Van Hall voorspelde dat steeds meer specialisten in dienstverband zouden willen werken. De Orde van Medisch Specialisten dreigde met juridische acties om hem te weerhouden daarover in het openbaar uitspraken te doen.

Vanaf het begin van zijn hoogleraarschap waarschuwde Van Hall voor de medicalisering van de samenleving: een proces waarbij gevoelens van onwelzijn, die vaak niet te maken hebben met strikt lichamelijke mankementen, maar meer met psychologische factoren of levensomstandigheden, medisch worden behandeld.

U hebt zich met name afgezet tegen de medicalisering van vrouwenklachten. Waarom was dat nodig?

“In de geneeskunde zijn mannenlichamen en mannenlevens altijd de norm geweest. Dat is nog steeds zo. Er zijn ook veel meer mannelijke dan vrouwelijke artsen. Mijn stelling is dat vrouwen, lichamelijk en geestelijk, nog te veel als afwijkend van die norm worden gezien. En als bedreigend. Iets dat je bedreigt wil je onderzoeken en controleren en hoe doe je dat? Door al die mysterieuze processen van vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid, van menstrueren, zwanger worden, een medisch etiket te geven, onderdeel van de geneeskunde te maken.

“Honderd jaar geleden dacht men dat de vrouwelijke geslachtsorganen allerlei stemmings- en gedragsstoornissen veroorzaakten en werden als remedie eierstokken weggehaald. Die chirurgische ingreep wordt nog steeds uitgevoerd. Nog maar vijf jaar geleden hoorde ik een gynaecoloog op een internationaal congres beweren: 'No ovaries, no premenstrual syndrome'. Maar ook geen kinderen!“In het algemeen zie je nu bij artsen de neiging om het leven na de menopauze te bestempelen als een periode van verval waarvoor te pas en te onpas medicijnen in de vorm van hormoonpreparaten moeten worden voorgeschreven. Terwijl de meeste vrouwen helemaal niet zo veel problemen hebben. Juist blij zijn dat ze niet meer menstrueren en zwanger kunnen worden. En blij zijn dat ze meer tijd hebben voor zichzelf, zonder een druk gezinsleven.

“Bij het hele denken over vrouwen moet je altijd de vergelijking maken met de andere sekse. Dat kan heel verhelderend zijn. Neem het verwerken van een echtscheiding. Om me heen zie ik dat vrouwen daar meestal sterker uitkomen dan mannen. Zij hebben niet zo'n behoefte om opnieuw te beginnen. Mannen kunnen niet alleen zijn, vallen meestal meteen terug op een jonger maatje. Alleenstaande mannen sterven ook sneller dan alleenstaande vrouwen. Ze zijn niet het sterke geslacht.

“Het is ook nuttig mannen en vrouwen te vergelijken waar het zogenaamde overgangsklachten betreft. Ik heb een periode gehad, een paar jaar geleden, dat ik klachten en onzekerheden bij mezelf voelde die tijdens mijn sabbatical als sneeuw voor de zon verdwenen. Dat bracht me op het spoor. Behalve opvliegers hebben oudere mannen ongeveer alles wat vrouwen in de overgang meemaken. Vaker moe, lusteloos, depressief, opvliegend. Maar bij hen wordt dat niet aan hormonen toegeschreven, waarom bij vrouwen dan wel? Die klachten zijn niet typisch vrouwelijk en niet typisch hormonaal. Het heeft gewoon met het ouder worden te maken, dat is meer dan alleen een biologisch proces.

“Ik neig met het voorschrijven van hormonen meer naar het officiële huisartsenstandpunt. Die zijn er terughoudender mee zolang er nog geen bewijs is dat oestrogenen na de overgang botontkalking of hart- en vaatziekten helpen voorkomen.

“Als je iets hebt, is het altijd het gemakkelijkst om te zeggen: het is iets lichamelijks. Mannen en vrouwen hebben dezelfde neiging tot somatiseren. Dan krijg je pillen of er wordt iets weggesneden en dan gaat 't over. Dat is niet altijd waar. Hormoonpreparaten helpen niet tegen een depressie die voortkomt uit een slecht huwelijk of het gevoel dat het leven leeg is geworden. Het helpt beter om op de problemen in te gaan, daar hulp bij te zoeken.”

Wat is er de afgelopen 25 jaar in uw specialisme veranderd en verbeterd?

“De diagnostiek is vele malen betrouwbaarder en beter geworden, op het gebied van hormonale bepalingen en de echografie. Maar dat is ten koste gegaan van kijken en luisteren, de diagnostische middelen waarmee de clinicus het vroeger moest doen. In de gewone behandeling van vrouwenziekten is er niet zo indrukwekkend veel veranderd. Zelfs niet bij de behandeling van kanker. Er is relatief weinig winst geboekt als je het vertaalt in termen van sterfte. Wel van langer leven, maar ik vraag me af hoe zinnig het is om door te behandelen met telkens meer chemotherapie, gezien de bijwerkingen en de belasting die het geeft. De balans lijkt me niet geheel positief.

“In de verloskunde zijn er nu betere mogelijkheden pijn te bestrijden. Maar naarmate de epidurale ruggeprik bij bevallingen meer aanhang krijgt, wordt er minder gevraagd hoe nodig die eigenlijk is. Hoeveel pijn kan een vrouw verdragen? Niet een beetje? Wat je ziet is een dwingende verschuiving naar meer ziekenhuisbevallingen, want de verloskundige mag die prik niet geven. Ik vind die ontwikkeling jammer, het gaat ten koste van de eerstelijns verloskundige zorg die hier erg goed georganiseerd is. Als het veilig is, is het naar mijn gevoel beter voor vrouw en kind om thuis te bevallen.”

In 1982 waarschuwde u voor de snijlustige gynaecoloog, wiens aanzien steeg met het aantal operaties dat hij verrichtte. Het aantal baarmoederoperaties is sindsdien sterk verminderd. Schrijft u dat op uw conto?

“Ik heb vooral de publieke discussie daarover aangezwengeld. Sindsdien zijn vrouwen vaker een second opinion gaan halen. In het algemeen is er een neiging in de geneeskunde wat conservatiever te behandelen, minder te snijden. Er zijn nu meer lokale behandelingen mogelijk. De trend is van klinisch naar poliklinisch gegaan. Alleen in het geval van kanker lijdt het geen twijfel dat de baarmoeder helemaal verwijderd moet worden, maar dat was en is maar een klein deel van het totaal aantal hysterectomieën.

“Politiek gezien zijn we wat meer af van het verrichtingensysteem; de prikkel van 'hoe meer je doet, hoe meer je verdient' is aan het verdwijnen, maar de kwestie blijft actueel. Ik vind dat artsen, zeker specialisten, meer moeten kijken naar de kosten van de gezondheidszorg. Ze moeten zich afvragen of een kostbare behandeling echt wel nodig is, of het niet anders kan worden opgelost. Niet alles moeten doen, alleen omdat het technisch mogelijk is.

“Ik zie ook een enorme discrepantie tussen het rijke Westen en de rest van de wereld. Wij hier willen voor iedere klacht een medisch antwoord, terwijl honderden miljoenen in de wereld een basale gezondheidszorg missen. In onze geneeskunde is er verwenning opgetreden. Hoofdpijn, bang voor een tumor? De ct-scan! We mikken op zekerheid, we durven niet meer het risico te lopen iets te missen in de diagnostiek.

“Ik verzet me tegen de doorgeschoten gezondheidscultuur, waarin alles perfect moet zijn: iedereen mooi, jong, sexy. Alsof het de enige taak van een mens is ervoor te zorgen gezond te blijven. Ziekte wordt dan iets dat je niet hoort te hebben, de zieke dreigt een paria te worden. Gezondheid wordt al jaren boven geluk geplaatst in enquêtes. Alles moet voorkomen en behandeld worden, alsof het jouw schuld is als je ziek wordt, je dan geen goed mens meer bent. Als je doordenkt kost die benadering niet alleen veel geld, maar laat uiteindelijk de zieke mens ook niet in zijn waarde.”

U spreekt in uw afscheidscollege over 'een reproductieve dwang'. Alsof u de bestrijding van onvruchtbaarheid als iets negatiefs ziet.

“Als iemand vroeger geen kinderen kon krijgen, dan was dat jammer, maar je had het te accepteren. Of je ging over adoptie denken. Nu zit het er erg ingebakken dat een paar pas volmaakt is als ze kinderen hebben. Reproductie heeft in onze maatschappij bijna iets heiligs gekregen. Het is haast een obsessie geworden om het verder te proberen, nog een ivf-behandeling en nog een. Ik ken het verwijt: jij hebt makkelijk praten, jij hebt kinderen. Het is ook niet zo dat ik iemand het recht op ivf ontzeg of op de nieuwere technieken. Ik heb ze vele malen toegepast en talloze operaties aan eileiders gedaan, maar ik heb er altijd vraagtekens bij gezet. Want een feit blijft dat de grote meerderheid van de behandelingen niet helpt. Als je al je kaarten op ivf zet, is de teleurstelling dat het niet lukt telkens groter. En kom je ook niet toe aan een acceptatie van de kinderloosheid, de rouw daarover.

“We weten ook nog niets van de effecten van dit soort behandelingen op de lange termijn, of die nadelig zullen zijn voor moeder en kind of niet. De afgelopen tien, vijftien jaar hebben honderdduizenden vrouwen een ivf-behandeling ondergaan, maar van een vervolgonderzoek is nauwelijks sprake. De weerstand daartegen heeft denk ik te maken met die heiligheid van de voortplanting.

“Mijn kritiek geldt vooral het beleid in abstracto, het intellectuele denken. In de individuele arts-patiëntrelatie stel je je anders op. Dan kijk je naar de wensen, angsten en emoties van de patiënt. Ik heb een keer een vrouw eindeloos behandeld, zeven, acht jaar. Twee jaar na de laatste operatie werd ze zwanger. En toen raakten ze in paniek, de aanstaande ouders. Ze wilden het kind absoluut niet en vroegen om een abortus. Dat was een heel moeilijke beslissing. Na diepgaande gesprekken met het echtpaar heb ik het gedaan. Twee maanden later werd de vrouw weer zwanger en toen was ze heel blij. Veel mensen begrepen niet waarom ik het zo gedaan had, maar ik heb er begrip voor gevraagd. Ze waren al die jaren meer bezig geweest met zwanger worden, dan met het idee dat ze ook echt een kind zouden krijgen. Bij die tweede zwangerschap was dat wel het geval, die was meer van hunzelf - daar had de dokter niets mee te maken.”

Is het om dit soort gebeurtenissen dat u destijds voor de gynaecologie hebt gekozen?

“Ik weet het niet. In ieder geval niet om het 'mysterie' van de voortplanting of omdat het zo'n leuk vak is. Misschien omdat vrouwen me intrigeerden. Er waren indertijd nogal wat mannen die controle wilden hebben over vrouwen en daarom kozen voor de gynaecologie. Dat was het bij mij zeker niet. Onbewust, later bewuster, werd ik geboeid door de vrouw als sociaal wezen, en niet als lichaam of ziektegeval.”

U hebt eens van uzelf hebt gezegd dat u man én vrouw bent.

“Dat meende ik toen. Nu is androgynie geloof ik een beetje een achterhaald begrip. Ik denk wel dat ik een heel sterke affiniteit heb met 'vrouwelijke' eigenschappen. Een zekere ijdelheid is mij niet vreemd, maar ik twijfel veel, heb soms een slecht zelfbeeld. Onzekerheid en emotionaliteit vind ik prettige eigenschappen in mensen. Ik voel me totaal niet thuis in de klassieke mannelijke, autoritaire samenleving. Als student misschien wel, maar ik kijk niet met veel plezier op dat exclusief mannelijke corpsleven terug.

“In onze Noord-Europese cultuur verliezen mensen naarmate ze ouder worden hun kinderlijke eigenschappen, wat een verklaring zou kunnen zijn voor de generatiekloof. Ik ben in Spanje geboren en opgegroeid. In het zuiden blijven de mannen kinderlijker en begrijpen daardoor kinderen beter. Die instelling kun je vertalen naar man-vrouw verhoudingen. Mannen kunnen kiezen hoe ze met vrouwen omgaan. Op een 'heteroseksuele' manier, dat wil zeggen: met autoriteit, overwicht en sympathie. Of 'homoseksueel': solidair, zich identificerend en met empathie, zoals je doet met iemand van je eigen sekse. In onze samenleving onderdrukken mannen - dat geldt im Grossen und Ganzen nog steeds - hun zogenaamd vrouwelijke eigenschappen. Ze praten over auto's, vrouwen over hun gevoel.”

“Maar een vrouw zou ik niet willen zijn. Ik ben wel tevreden met mijn gender. Ik ben een echte man, daar heb ik het niet moeilijk mee. Ik ben wel eens jaloers op vrouwen, hun hechte vriendschappen met andere vrouwen. Even bellen, even langskomen en bijpraten.”

In het begin hield u zich meer met de voortplanting bezig, nu meer met de menopauze. Heeft dat met uw eigen ontwikkeling te maken?

“Ja, natuurlijk speelt dat mee. Toen ik binnenkwam in Leiden had ik sterke wetenschappelijke papieren en ambieerde ik wel degelijk een carrière in de wetenschap. Het overlijden van mijn dochtertje Eva, kort na mijn benoeming, heeft er invloed op gehad. Ik denk dat dat me definitief de andere kant op heeft geduwd. Ik ben me daardoor veel bewuster geworden van de emotionele en sociale aspecten van het vak. Ik ben meer een maatschapper dan een wetenschapper geworden.”

Daar hebt u nooit moeite mee gehad?

“Ik ben wel afgunstig geweest op mensen die prijzen winnen, grote wetenschappelijke erkenning kregen, veel gepubliceerd hebben. Dan was er een duiveltje in me dat zei: 'Nou, dat onderzoek van die en die is toch niet echt goed'. Aan de andere kant vind ik de verwachting dat je als hoogleraar een groot wetenschapper hoort te zijn, ook wat overdreven.

“Ik heb er wel moeite mee gehad dat een bepaalde categorie mensen, de gevestigde orde, mij en mijn standpunten niet au sérieux heeft genomen. Dat blijft mijn achilleshiel.”

Minister Borst heeft u verleden week bij uw afscheid 'vanwege uw grote verdiensten' een subsidie van 100.000 gulden gegeven, voor een project op het gebied van de gezondheidszorg voor vrouwen. Voelt dat als een officiële erkenning?

“Ja, ik ben daar erg blij mee. Het was een grote verrassing.”

U geeft het werken eraan. Doemt het beruchte zwarte gat?

“Nee, ik ben al vijf jaar bezig mijn werkzaamheden en bevoegdheden over te dragen, wat totaal ongebruikelijk is. Ik kan me natuurlijk vergissen, maar ik verheug me op een nieuw leven. Die kater, dat gat waarin mensen na hun pensionering vallen, heeft geloof ik vaak meer te maken met het verlies aan macht en invloed, dan met de inhoud van het vak. Ik heb het nu 36 jaar gedaan, waarvan 25 jaar als hoogleraar in Leiden. Het is mooi geweest, en het is mooi geweest.”