Spreeuwen gebruiken bladgroen voor seks en tegen bloedzuigers

In veel vogelnesten is dit voorjaar nieuw leven tot bloei gekomen: dat van bloedzuigers en vereneters. Vlooien, luizen en andere parasitaire insecten doen zich tot ver in juni te goed aan een nieuwe lichting vogeljongen.

Veel zangvogels brengen meerdere nesten per seizoen groot en tijdens dat proces groeit de parasietendruk. Dat geldt met name voor beschut nestelende holenbroeders, zoals de spreeuw (Sturnus vulgaris). Spreeuwen nestelen in holten die steeds weer opnieuw worden gebruikt, vaak door een en hetzelfde paar vogels. Bij de nestbouw prefereren mannetjes groene planten die rijk zijn aan vluchtige stoffen met insectenbestrijdende eigenschappen. Ook andere vogelsoorten die een nest hergebruiken en daarmee parasitaire plagen over zich afroepen,verwerken opvallend veel vers groen in het bouwsel. Maar bij de spreeuw speelt in die voorkeur voor groen ook iets anders nadrukkelijk een rol: hofmakerij (Behaviour 134, 337-351).

De zestig spreeuwen-nestkasten van Het Max Planck-Instituut in Andechs, Duitsland, leveren hierover nieuwe informatie. De daarin broedende, vrij levende spreeuwen en hun nestsamenstelling worden uitvoerig gevolgd. Sommige mannelijke vogels kiezen voor een polygame aanpak, en brengen tot zes legsels groot; monogame mannetjes brengen het tot hooguit twee per seizoen. Het zijn voornamelijk mannetjes die groene planten de nestkast indragen. Ze doen dit vooral wanneer er vrouwtjes in de buurt zijn. Ze gaan daarbij erg opzichtig te werk; soms zingen ze met een toegetakeld groen blad in de snavel, of benaderen daar een vrouwtje mee en werpen het aan haar voeten, alvorens het in het nest te brengen. In totaal werden 68 verschillende soorten groen aangedragen. Sommige planten blijken veel populairder dan andere. Zo groeien klaver en braam uitbundig in de nabije omgeving, maar het blad daarvan wordt hoogst zelden in een nest aangebracht. Blad en bloesem van wilgen en duizendblad, die nu juist zeldzaam zijn in het gebied, maken prominent deel uit van de top-tien van groen nestmateriaal; duizendblad (Achillea millefolium) bevat inderdaad veel insecten-onvriendelijke stoffen.

Maar wat is nu belangrijker: insectenbestrijding of hofmakerij? De uitkomst is gemengd. Tussen de zeven en vier dagen voor het leggen van het eerste ei besluit een vrouwtje welk nest van welk mannetje te accepteren. Mannetjes dragen vanaf vijf dagen voor het begin van de eileg groen materiaal aan, en stoppen daarmee zodra het leggen begint. Ze beperken het gedrag dus wat onpraktisch tot de periode van paarvorming. Het gadeslaan van de hoeveelheid door zich uitslovende mannetjes aangesleept groen speelde voor vrouwtjes een duidelijke rol in de partnerkeuze. De totale hoeveelheid groen in een nest kwam nauwkeurig overeen met het aantal dagen van hofmakerij dat een mannetje nodig had voor het aan zich binden aan een vrouwtje. Nesten die werden hergebruikt voor een volgend legsel van dezelfde, al gebonden partner, werden van minder vers groen voorzien, terwijl de parasietendruk des te hoger was. Ook veelbetekenend is dat behalve groene planten ook heel wat opzichtige ornamenten werden aangedragen en verwerkt, zoals bloemen, korstmossen, grote fazantenveren en kleurig menselijk afval.

Op een punt komen beide mogelijke doelen mooi samen. Een polygame mannelijke spreeuw voert doorgaans alleen de jongen in het eerste nest dat hij aanbood. Later aangetreden partners moeten het zonder hulp stellen: zij brengen minder, en zwakkere jongen voort. Juist in die bij-nesten brengen de mannetjes meer parasieten bestrijdend groen aan - alsof ze voor de afwezige ouderlijke zorg compenseren met insectenbestrijding. Voor het aan de vrouw brengen van die bijkomende nesten hebben ze meer tijd nodig. Ze beginnen daar iets later in het seizoen aan, wanneer het aantal beschikbare vrouwtjes kleiner is, en de bereidheid tot paren met een polygame man is al niet hoog. De hofmakerij-tijd is simpelweg langer, dus dat alleen biedt al een verklaring voor het extra groene karakter van die nesten.

Kortom, uit de voorkeur voor bepaalde plantensoorten spreekt een heel realistisch doel: parasietenbestrijding. Maar het belang voor de hofmakerij lijkt de overhand te hebben gekregen. De naarstige pogingen van de Max Planck onderzoekers om uit te maken of het nu vooral het een of het ander is dat een rol speelt, lijken tot mislukken gedoemd. Het zou niet de eerste keer zijn, dat op zich direct nuttig gedrag bij vogels een afgeleide betekenis kreeg in de hofmakerij, die gaandeweg zelfs belangrijker werd. Maar dat spreeuwen behalve luid zingen ook graag groen adverteren is nu aangetoond.