Rokerstandvlees; Rokers hebben meer kans op parodontale afwijkingen

DE SCHADELIJKE invloed van roken voor de gezondheid is deze week door het opzienbarende akkoord van de Amerikaanse regering met de tabaksindustrie weer danig in het nieuws geweest.

Literatuur: Mady Ann Lie. Factors associated with susceptibility to gingival inflammation. Academisch Proefschrift. Universiteit van Amsterdam. 1997.

Een van de afspraken was dat op Amerikaanse pakjes sigaretten in de toekomst mededelingen staan dat roken verslavend kan zijn en een reeks van dodelijke ziekten, zoals longkanker en hart- en vaatziekten, kan veroorzaken. Maar roken kan ook aanzienlijke risico's vormen voor het ontstaan van andere afwijkingen zoals tandvlees- en kaakbotziekten, de zogenaamde parodontale afwijkingen.

Uit diverse studies van de afgelopen tien jaar blijkt onder meer dat rokers meer vatbaar zijn voor deze aandoeningen dan niet-rokers en dat zij deze ziekten op een jongere leeftijd krijgen. Verder reageren zij minder goed op behandeling. Het blijft vooralsnog een raadsel waarom rokers een grotere vatbaarheid hebben voor deze afwijking, die in ernstige gevallen kan leiden tot pussende ontstekingen en losstaande tanden en kiezen. Wel zijn er aanwijzingen dat roken een negatieve invloed heeft op de afweer van de genotzoeker.

STRINGENT

Donderdag promoveerde de Amsterdamse tandarts Mady Ann Lie op het proefschrift Factors associated with susceptibility to gingival inflammation. Zij probeerde inzicht te krijgen in de mogelijke factoren, zoals sigaretten roken, die een rol spelen bij de vatbaarheid van personen voor deze mondontstekingen. Centraal in haar proefschrift staat het experimentele gingivitis-model dat door de Deense tandarts Löe en anderen in 1965 werd ontwikkeld. Hij vroeg toen proefpersonen mee te werken aan een experiment waarbij hun tandvlees eerst door een stringent mondhygiëneregime in optimale conditie werd gebracht. Daarna werd hun de onfrisse vraag gesteld gedurende drie weken de tandenborstel niet te gebruiken. Bij de meeste proefpersonen begon het tandvlees, in vaktermen de gingiva, in die periode fors te ontsteken, wat te zien was aan de felrode kleur ervan, de zwellingen erop en het bloeden bij aanraking. Na hervatting van de normale mondhygiëne werd het tandvlees echter al snel weer gezond.

Vooral die bloeding van het tandvleesoppervlak is een belangrijke parameter voor het vaststellen van gingivitis. Daarnaast blijkt dat, wanneer men tussen het tandvlees en de tand of kies het kaakbot met een instrument sondeert, de ontstane bloeding een teken is van een bestaande actieve parodontale afwijking. In haar onderzoek werd vooral ook gekeken naar een aantal afweerfactoren die bepalend zijn voor de kolonisatie van mondbacteriën. De grootste aandacht werd gericht op de afweerfactoren die zich in het speeksel bevinden. Onze mondvloeistof bevat onder meer antilichamen, de zogenaamde immunoglobulinen, eiwitten waarvan S-IgA de meest voorkomende is. Deze stof is in staat virussen te neutraliseren, bacteriële enzymen te remmen en er voor te zorgen dat de micro-organismen zich moeilijker gaan hechten aan bijvoorbeeld het tandvlees. Bovendien bevat speeksel andere stoffen, de cystatinen, die de vorming van kwaadaardige afbraakstoffen van dode bacteriën afremmen en daarnaast ook de groei ervan tegengaan.

De proefpersonen in dit promotie-onderzoek waren eerstejaars studenten Tandheelkunde die aan het Loë-experiment meededen. Op hen werd een hele batterij onderzoek losgelaten. Het tandvlees werd gesondeerd, microbiologische monsters werden genomen en het speeksel werd grondig geanalyseerd. De belangrijkste uitkomst van dit onderzoek is de duidelijke relatie tussen het roken en de gezondheid van tandvlees en kaakbot. Roken blijkt grote invloed te hebben op de bloeding van het tandvlees na sonderen. Tijdens de experimentele periode zonder mondhygiëne bleek dat de rokers minder bloeding vertoonden dan de niet-rokers.

GUNSTIG TEKEN

Dat lijkt op het eerste gezicht een gunstig teken. Maar de onderzoekster stelt vast dat er in werkelijkheid sprake is van een schadelijke situatie die er toe kan leiden dat de gezondheidstoestand van het tandvlees te positief wordt beoordeeld. Het lijkt er verdacht veel op dat de ontstekingsreactie bij de rokers is vertraagd of gereduceerd. Voorts bleek dat er veranderingen optraden in het speeksel. Met name als het de afweerfactoren S-IgA en de cystatinen betrof. Rokers met gezond tandvlees hadden lagere concentraties S-IgA gericht tegen sommige pathogene mondbacteriën dan de niet-rokers terwijl bovendien, gedurende de experimentele periode, deze concentratie bij hen nog verder afnam.

De cystanine-activiteit bleek bij de rokers met gingivitis lager, wat wil zeggen dat roken zeer waarschijnlijk de gunstige invloed van deze afweerfactoren doet afnemen. Met andere woorden: door deze resultaten is de vergrote vatbaarheid van rokers voor het ontstaan van parodontale afwijkingen voor een deel verklaard. Hoe deze verschijnselen echter moeten worden verklaard is onbekend. De praktische consequentie van de resultaten van dit proefschrift is dat tandartsen thans hun patiënten meer verantwoord kunnen informeren over het feit dat zij door het gebruik van tabak een zware tandheelkundige pijp zullen roken.