Column

Opruiming

Ik scharrel in mijn uppie door Azië en ben beland op een bijna onbewoond Maleisisch eilandje. Geen radio, geen televisie, geen krant, geen telefoon, geen fax, geen Internet.

Niks. Hutje, zee & stilte. Ik houd opruiming. Er moeten een paar geesten uit mijn hoofd en die wil ik helemaal alleen, zonder een druppel alcohol, verdrijven. Honderd meter strand links en veertig meter rechts. Meer is er niet. De rest van het eiland is volstrekt onbegaanbaar. Als je wilt kan je er omheen zwemmen. Als je wilt. Maar ik wil niet. Je kan er ook snorkelen. Wil ik ook niet. En duiken zeker niet. Helemaal toen ik op de Hollandse Club in Singapore de ene ex-pat tegen de andere kakker hoorde zeggen: “Je moet bij ons voor de kust komen duiken. Werkelijk schitterend. Daar zijn de Bahama's modder bij.” U moet de regel wel op een Gooise hockeytoon uitspreken. Dus ook geen duiken.

Laat ik met de deur in huis vallen: ik heb een zelfmoordpoging gedaan. Hoe? Is dat belangrijk? Zelfmoord is toch zelfmoord? Dood is toch gewoon dood, maar ik geef toe: de manier waarop is altijd lekker om te weten. Ik zal vertellen hoe ik het gedaan heb: ik ben in een Maleisische taxi gaan zitten. Die chauffeurs doen het het snelst. Ze nemen een zeer heuvelachtige weg en vlak voor een totaal onoverzichtelijke bocht haalt hij een oplegger met hele lange bomen in. De eerste paar keer mislukt de poging, maar hij blijft het proberen. Op een gegeven moment ben ik maar gaan slapen. Dat is alvast ook een beetje dood, dacht ik. Het Bounty-eilandje is de hemel. Dus ben ik dood. Dood is toch zonder fax, telefoon, e-mail of welke andere verbinding dan ook. Alleen een straalverbinding met Oibibio heb ik begrepen. Hoe ik in de hemel ben gekomen? Met een bootje. Dat wist u nog niet, maar zo ga je namelijk naar de hemel. Dat is het normale vervoer. Jezus was een visser en heeft voor zijn beroepsbroeders een leuke bijverdienste gecreëerd. Het bootje keert leeg terug. Het laat mij denkend achter. Ik lees een leuk bedoeld boek en moet niet lachen. Omdat ik op de eerste dag in de hemel toch een keer wil lachen denk ik aan het meisje uit Stadskanaal dat mij ooit vertelde dat haar schoonmoeder nooit eens iets rechtstreeks tegen haar zei. Ik vroeg haar om een voorbeeld. Ze vertelde dat ze via haar man moest horen dat ze op zijn verjaardag de zure bommen te breed gesneden had. Ongeveer een jaar geleden heb ik haar die regel vier keer laten herhalen. In het plat Gronings. De tweede en derde dag kijk ik naar alle bootjes of Bes erbij is. Zij is mijn Groningse moeder en was erg aan hemelen toe. Ziek en op en zeer verlangend naar een mooi eilandje. Af en toe komt er een bootje langs. Geen Bes. Gelukkig zijn er meer eilandjes. Ik blijf piekeren, kom mezelf in diverse vicieuze cirkels tegen, heb zware kip- en ei-discussies met een van mijn andere ikken en slaap bijna niet. Maar dat hoeft niet in de hemel. De tweede en derde dag schiet mij niets leuks te binnen. Behalve een ongehoord leuke mop, die de helft van de abonnees kost als ik hem opschrijf. De krant heeft dit seizoen al genoeg aan mij verloren. Ik denk aan de uitspraak van Eric Cantona, die ooit zei dat alle meeuwen die rond een vissersschip krijsen, denken dat het schip de vis komt brengen. Mooie glimlachgedachte.

Ik wil de vierde dag nog een keer lachen voordat ik in slaap val en denk aan het meisje dat mij vertelde waarom ze het met haar vriend had uitgemaakt. Ze mocht van hem niet op het dekbed zitten. Waarom niet? Dan pletten de veertjes.

De vijfde dag kwam de visser mij halen. Mijn verlof was voorbij. Ik vroeg of hij Bes gezien had. Het antwoord was ja. Ik vroeg hem haar mijn groeten te doen en te bedanken voor heel veel hele leuke uren. Dat zou hij doen.