Levenslang leren

Met een peuter boodschappen doen is voor ouders vaak een bezoeking. Niets wat op kinderhoogte staat uitgestald is veilig. Drama's tussen gillende kinderen en gegeneerde ouders zijn het gevolg.

De winkelwagen met kinderzitje was een vondst, maar deze levert niet de ultieme oplossing, want graaien in de verzamelde boodschappen levert ook conflictstof. Waarom niet aan iedere supermarkt een gesubsidieerde kinderopvang toegevoegd? Het zou meteen een uitgelezen gelegenheid zijn om zelfs de kleine kinderen uit de minst ontwikkelde milieus geregeld een educatief badje te geven. Ook hun ouders moeten nu eenmaal de huishoudelijke boodschappen doen. Het idee komt uit het boek The learning game van de Britse onderwijskundige Michael Barber, waaruit ik al eens eerder citeerde. Het past in zijn beeld van een 'lerende samenleving', een begrip waarover de laatste tijd veel gedacht en geschreven wordt.

Zo'n samenleving wordt gevormd door mensen die 'levenslang' willen leren. Ook in de aanbevelingen van Het Presidium van het Kennisdebat was een van de prominentste aanbevelingen dat de overheid voorwaarden zou moeten scheppen waardoor de burgers vanaf hun kindertijd zo'n lerende instelling zou worden bijgebracht. Zij zouden zo in alle fasen van hun leven faciliteiten kunnen vinden waarmee zij met zo'n levenshouding iets kunnen doen. Onder leiding van de minister-president gaat een interdepartementale werkgroep dit idee nu operationaliseren.

De kennismaatschappij waarbinnen dit zich allemaal dient af te spelen, maakt het volgens diverse geschriften om twee redenen noodzakelijk. In de eerste plaats kon men vroeger een arbeidzaam leven lang toe met wat men bij de aanvang had geleerd. Kennis is tegenwoordig aan veroudering onderhevig. Ik vind dit niet zo'n sterk argument. Het verschijnsel van veroudering is toch al enige generaties lang gaande, ook in het verleden konden alleen bijleerders bijblijven. Vrouwen die op de naaiateliers niet met de Singer overweg konden en alleen met de hand bleven stikken, verloren al aan het eind van de vorige eeuw op den duur hun werk. Alleen de toenemende snelheid van dergelijke veranderingen is nieuw.

Een tweede argument is dat een klein, vol en ontwikkeld land, wil het welvarend blijven, zijn kracht zal moeten vinden in het innovatieve en geavanceerde. Alleen dan heeft het de grote wereld iets te bieden, waarmee behoorlijk te verdienen valt en de welvaart op peil kan blijven. Dat lukt niet, als alleen aan de top en in de gespecialiseerde laboratoria aan vernieuwing wordt gewerkt. De samenleving als geheel moet doordesemd zijn van mensen met een lerende en dus vernieuwende instelling.

Iets dergelijks begint uiteraard op school. Het is alleen jammer dat het daar soms heeft geleid tot de bizarre misvatting dat je kinderen niet zo zeer kennis moet bijbrengen, als wel de vaardigheid om wat je niet weet op te zoeken. In extremo: alle kennis is in databestanden opgeslagen en via de computer te bereiken; leer kinderen dus die als kennisbron te hanteren. Alsof vergaarde kennis een lerende levenshouding in de weg zit. Uiteraard is het tegendeel waar. Kennis genereert kennis, omdat je op basis van wat je al weet zinvolle vragen kunt stellen alvorens te gaan zoeken.

Een ander aspect van het levenslang leren is de ingebouwde belangentegenstelling tussen maatschappij en individu. De maatschappij heeft er belang bij om op alle niveaus nieuwsgierige, lerende, vernieuwende mensen te hebben zitten. Het individu daarentegen heeft er belang bij om het leren te gebruiken om naar een hoger niveau door te stoten. Het Heinekenmodel dat dezer dagen figureert in de berichtgeving van de vakbeweging lijkt me een verdoezeling van deze tegenstelling. Vanwege de toenemende flexibilisering zou iedere werknemer volgens dat model een eigen loopbaanbegeleiding moeten krijgen waarbij de scholing niet ten dienste moet staan van het eigen bedrijf, maar van de arbeidsmarkt als geheel. “Je moet weg kunnen”, zoals een vakbondsbestuurder voor de radio zei. De interviewer vroeg terecht welk bedrijf zo gek zou zijn om daarin te investeren.

Het onderwijs is een schoolvoorbeeld van deze belangentegenstelling. In de jaren zeventig is in Nederland een groot deel van vooral intelligente en geïnteresseerde leerkrachten via verdere studie verdwenen van de klassewerkvloer en vertrokken naar begeleidingsdiensten, zorgverbreding en onderwijskunde. Zeer begrijpelijk, want zowel status als salaris waren daar hoger. Maar voor de maatschappelijk lager gelegen onderwijspraktijk waren ze verloren.

Het afgelopen half jaar heb ik drie keer een praatje moeten houden bij het afscheid van iemand die 'voor de klas' was begonnen en via het principe van levenslang leren heel ergens anders was geëindigd. Ik kan dan niet nalaten te wijzen op wat winst is voor het individu, verlies is voor de maatschappij. Als daar geen oplossing voor wordt gevonden, schiet levenslang leren voor een belangrijk deel zijn doel voorbij, ook al begin je nog zo vroeg in de supermarktcrèche.