'Kunt u een fluitketel nadoen?' Noord-Hollands Philharmonisch strijdt tegen stoffige imago klassieke muziek op school

Op de basisschool zit een beetje de klad in het muziekonder- wijs. In Noord- Holland wil men daar wat aan doen. Joelend en stamp- voetend reageert een concertzaal vol kinderen op de uitvoering van Ravel's Bolero.

'IK MOEST DENKEN aan een film over Beethoven in de bus'', antwoordt Linda (9) op de vraag van de presentator van het concert, waar ze aan moest denken bij het horen van het stuk 'A short ride in a fast machine', van componist John Adams. Linda is leerling van groep vijf van de Immanuelschool in Rijsenhout, een van de zestig scholen in de regio Kennemerland/Haarlemmermeer, waarvan de groepen vijf tot en met acht niet alleen muziekles krijgen van hun eigen leerkracht, maar het geleerde ook nog eens uit de praktijk te leren. Het Noordhollands Philharmonisch Orkest, NPO, uit Haarlem stuurt zijn orkestleden mèt instrumenten naar basisscholen in de streek om de muziekles luister bij te zetten. Na afloop van de les bezoeken de leerlingen een heus klassiek concert, in een concertgebouw.

“In het basisonderwijs lopen maar weinig mensen rond met een duidelijk muzikale interesse, de vakleerkracht muziek ontbreekt en in de hiërarchie van vakken voert rekenen de boventoon”, vertelt Barend Wijtman, hoofd van de Educatieve Dienst van het NPO. Wijtman, musicoloog en - naar eigen zeggen - 'geboren luisteraar', ergerde zich groen en geel aan het 'stoffige imago' dat de klassieke muziek volgens hem onder de jeugd heeft. Er werd een onderwijsprogramma ontwikkeld, waarmee de orkestleden de boer op gaan. Zo'n vijftien gitaristen, hoboïsten, violisten en dwarsfluitisten - 'liever geen blokfluit, dat vinden veel leerlingen saai', zegt Wijtman - bezoeken scholen en vertellen iets over componisten, orkesten, oorsprong van de muziek en spelen, in de klas, een sonate.

KERNDOELEN

Hoewel het beluisteren van muziek behoort tot een van de kerndoelen van het muziekonderwijs op de basisschool, zijn er maar weinig scholen in Nederland die daadwerkelijk een professionele musicus de klas in kunnen halen. Orkesten bieden scholen wel de mogelijkheid tot concert- of repetitiebezoek, maar voor het sturen van een cellist of klarinettist ontbreken de - veelal financiële - middelen. De meeste orkesten laten het organiseren van educatieve taken over aan een afdeling marketing of pr en hebben geen aparte afdeling educatie. Wijtman: “De cultuurpolitiek van de laatste twintig jaar werd gedomineerd door de gedachte dat orkesten zich voornamelijk moesten concentreren op het goed spelen van muziek.” Hij vindt dat jammer, maar heeft de hoop op betere tijden nog niet opgegeven nu staatssecretaris Nuis (cultuur) in de Cultuurnota 1997 - 2000 orkesten expliciet heeft verzocht aandacht te schenken aan educatie en daarvoor ook een beleidsplan op te stellen waaraan een meerjarensubsidie is gekoppeld. Bovendien zal bij de invoering van het studiehuis in het voortgezet onderwijs ongeacht de profielkeuze, structureel aandacht worden gegeven aan culturele en kunstzinnige vorming. Nu wordt een concertbezoek nog beschouwd als lesuitval, in de toekomst zal het behoren tot het curriculum en meetellen bij de studielast.

“Als u in de fluit blaast, komt er dan geen speeksel in?” “Kunt u ook de muziek van Koffietijd spelen?” “Kunt u een fluitketel nadoen?” Achter elkaar vuren de leerlingen van groep zes van de Veronicaschool in Haarlem de vragen af op dwarsfluitist Jan van den Berg die, staande achter zijn muziekstandaard, een demonstratie geeft op een moderne metalen fluit, een antieke houten en een piepkleine dwarsfluit. Hoe zo'n kleintje heet? “Een madurodamdwarsfluit!”, grapt een van de leerlingen. “Nee, een piccolo.”

“In de klas is er weinig afstand tussen muzikant en leerling”, zegt Van den Berg. Leerlingen voelen zich de baas en daardoor is het in de klas makkelijker de afstand tussen muzikant en toehoorder te overbruggen dan in een concertzaal. Maar zijn collega Michael Smith, altviolist, vreest dat kinderen buiten de schoolmuren met zo'n overstelpende hoeveelheid muziek worden geconfronteerd, inclusief MTV, dat muziek op school gewoon te veel is, laat staan klassieke muziek. “Bovendien houden veel kinderen niet van de stijfheid en het sociale gebeuren die de klassieke muziek omgeven.”

Voor schoolconcerten in de zaal doen Wijtman en zijn orkest hun best een dynamische happening te creëeren. Wijtman: “We proberen de magie van het podium te verhogen door de musici met lessenaarsverlichting te laten spelen en de muziek met lichteffecten te ondersteunen.” Achter het podium stijgt bovendien rook op. De enscenering mist zijn uitwerking niet. Joelend en stampvoetend reageert de zaal op de uitvoering van Ravel's Bolero.

Maar Jordy (13) en Niels (11) uit groep acht van basisschool De Polderrakkers in Nieuw Vennep hebben vóór de muziekuitvoering in de concertzaal al schoon genoeg van de picobello aangeklede muzikanten en “de saaie en droevige muziek” die ze verwachten. Gabber-muziek en house is wat ze willen.

Aansluiting zoeken bij de belevingswereld van kinderen vindt Wijtman wel belangrijk, “maar al te veel concessies aan de verpopping en vertoneeling van klassieke muziek wil ik niet doen.” Het repertoire wordt wel enigszins aangepast. En dat betekent geen symfonieën van Brahms en Haydn en geen menuetten van Mozart. Wijtman: “Dat vinden de meeste leerlingen truttig. Het is de muziek van hun ouders, het is te subtiel en te intellectueel.” Composities van Strawinsky, Bartók en Ravel liggen gemakkelijk in het gehoor en hebben vaak een zelfde, zich herhalende ritme.

“De Griekse god Pan was eens heel verliefd op de godin Syrinx”, vertelt Van den Berg in de klas. “Maar zij moest niets van hem hebben en rende weg. Bij een meertje gekomen verandert ze zichzelf in een rietstengel. Als Pan haar achtervolgt en, bij het meertje gekomen, alleen maar rietstengels ziet, wordt hij zo verdrietig dat hij muziek wil maken. Hij snijdt de rietstengel Syrinx af en maakt er een fluit van. Zo ontstond de panfluit”, verhaalt Van den Berg als mythologische inleiding bij de dwarsfluitsolo 'Syrinx' van Debussy.

GELIEFD SPIJBELUUR

Het vertellen van achtergrondverhalen en de vraag welke beelden de muziek oproept is volgens Van den Berg belangrijk, want daardoor leren kinderen zich concentreren op klank, kleur en snelheid van de muziek. “Bovendien is het een manier om kinderen erbij te betrekken.” En dat is belangrijk, want muziek is van oudsher een geliefd spijbeluur op de middelbare school en wordt op de basisschool “door sommigen toch beschouwd als een vrij uurtje”.

“Vroeger was de muziekles veel meer overgeleverd aan wat de docent zelf wist of meenam van de kweekschool”, zegt Gerard van der Waard, leerkracht op de Veronicaschool. En dat bleef vaak beperkt tot klassikaal zingen onder begeleiding van een blokfluitspelende docent. Als het aankwam op het vertellen van de historische of technische achtergrond van de muziek, wisten en weten veel docenten in het basisonderwijs van toeten noch blazen, erkent hij. Maar ook veel leerlingen krijgen van huis uit weinig muzikale vorming mee. In zijn groep zitten maar drie leerlingen die zelf een instrument bespelen. Hoog tijd voor een gedegen aanpak, meende de school. Men haalde niet alleen professionele muzikanten in de klas, maar schafte ook een muziekmethode aan om de les structuur te geven. En de leerkracht die het nu nog ingewikkeld vindt, kan de muziekles ook nog evalueren met een muziekconsulent.