Korpschef Brinkman verwerpt suggesties over zijn psychische geschiktheid; 'Peper pleegt geschiedvervalsing'

De Rotterdamse burgemeester Peper acht korpschef Brinkman psychisch ongeschikt voor zijn functie. Brinkman: “Peper gedraagt zich als burgemeester onwaardig door feiten uit het verleden verkeerd voor te stellen.”

ROTTERDAM, 28 JUNI. “Burgemeester Peper maakt zich schuldig aan geschiedvervalsing.” Dat zegt de Rotterdamse korpschef J.W. Brinkman naar aanleiding van Pepers conclusie in een brief dinsdag aan minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) dat Brinkman 'psychisch niet geschikt' is voor zijn functie. Brinkman ging twee weken geleden met buitengewoon verlof nadat het regionaal college van de 22 Rijnmondburgemeesters had vastgesteld dat de hij het vertrouwen ernstig had ondermijnd.

Brinkman zegt desgevraagd dat hij met 'grote verbazing' kennis had genomen van een aantal onthullingen in kranten over zijn functioneren tijdens de eerste maanden van dit jaar. Brinkman, die vorig jaar oktober aantrad als korpschef van het politiekorps Rotterdam-Rijnmond, raakte in die periode in conflict met de ondernemingsraad (OR) van het korps. Eind april eiste de OR het vertrek van Brinkman, die vervolgens in conflict raakte met korpsbeheerder Peper.

In een reactie op verscheidene publicaties zegt Brinkman dat Peper zich “als burgemeester onwaardig gedraagt” door bepaalde feiten uit het verleden verkeerd voor te stellen. De korpschef, die inzage heeft gevraagd in de brief die Peper aan Dijkstal heeft gestuurd, ontkent dat hij in april twee dagen onbereikbaar zou zijn geweest omdat de spanningen hem te veel waren geworden.

Brinkman: “Ik ben een halve dag onbereikbaar geweest. Ik had de stekker van de telefoon eruit getrokken omdat ik me in alle rust wilde beraden. Dat gebeurde nadat ik tijdens managementoverleg van enkele commissarissen de waarschuwing had gekregen dat Peper niet langer te vertrouwen was.” Peper ontging gesprekken met Brinkman en ook met de OR. “De OR leidde daaruit af dat de burgemeester mij niet langer steunde. Ik voelde me tussen twee partijen gemangeld.” Het ontwijkend gedrag van Peper verwondert Brinkman “omdat Peper mij vlak na mijn aantreden aanmoedigde de ondernemingsraad aan te pakken volgens het 'Boonstra-model', zoals hij zei. “Een ram-koers dus.”

Brinkman erkent dat hij in april de hulp van een psycholoog had ingeroepen toen de spanningen als gevolg van het conflict met de OR opliepen. “Een van de managers van het korps suggereerde dat. Deze psycholoog verleent de politie, ook in Rotterdamse districten, sinds jaar en dag assistentie. De suggesties als zou ik door de psycholoog zijn 'gestript' en in de korpsleiding een 'ravage' zou zijn aangericht, is ridicuul.

De psycholoog heeft ook met Peper en leden van de OR gesproken. Daarna wilde Peper de man juist zo snel mogelijk weg hebben om te voorkomen dat deze zich een goed beeld zou vormen over de rol van alle betrokkenen in het conflict met de OR.'' De korpschef zegt te beschikken over een brief van de betrokken psycholoog (Langkamp, red.) waarin deze zich distantieert van de conclusie dat Brinkman, een voormalig generaal-majoor bij de landmacht, psychisch niet in staat was zijn functie te vervullen.

Bij het 'bedenksel' dat hij 'clashes met het management' zou hebben gehad, een constatering van Peper, “kan ik mij niets voorstellen”, aldus Brinkman. Dat Peper de geplaagde korpschef en diens echtgenote twee keer op etentjes heeft onthaald om de spanningen te bespreken, is volgens Brinkman evenmin juist. “Ik heb een keer met Peper en zijn vrouw koffie gedronken en een keer met hen tijdens een concert gesproken. En dat is alles.”

De korpschef, die na lang aandringen maandag een gesprek krijgt met minister Dijkstal, bevestigt dat hij zijn kantoor op het Rotterdamse hoofdbureau alsmede zijn eigen huis heeft laten controleren op de aanwezigheid van apparatuur waarmee telefoongesprekken kan worden afgeluisterd. “Dat was enkele weken voordat het conflict met de OR tot een uitbarsting kwam. De aanleiding was dat vertrouwelijke informatie snel bij de OR terecht kwam. Bij het onderzoek is overigens niets aangetroffen.”

Brinkman brengt het 'gooien met modder in de media' (zoals zijn advocaat C. van Leeuwen gisteren zei) in verband met het rapport van procureur-generaal Docters van Leeuwen en de commissaris van de Koningin in Zuid-Holland Leemhuis. Zij stelden op verzoek van Dijkstal een onderzoek in nadat het regionaal college op 5 juni het vertrouwen in Brinkman had opgezegd. Zij concludeeerden dat het college te snel en lichtvaardig had gehandeld. Aanvankelijk was ook de Rotterdamse hoofdofficier van justitie De Wit van mening dat er nog mogelijkheden waren om het conflict met Brinkman op te lossen. Maar De Wit kwam daar later op terug nadat in kranten de indruk was gewekt dat hij wilde bemiddelen. Hij zei dat niet te willen.

“Peper grijpt nu kennelijk naar andere middelen om het beeld te herstellen dat bij mij alle stoppen waren doorgeslagen”, aldus Brinkman. Die indruk is volgens hem gewekt na de bijeenkomst van het regionaal college op 2 juni. Brinkman maakte toen in krachtige termen bezwaar tegen de besluiten van Peper, neergelegd in het rapport Beleid in balans, dat het college had aanvaard. Peper was 'geschokt' door Brinkman, die bezwaar bleef maken tegen onderdelen van het rapport en daarmee het 'bevoegd gezag' bruskeerde. Op 3 en 4 juni liet Brinkman in gesprek met Peper en in een fax aan de burgemeester weten dat hij de besluiten in het rapport wel geheel zou uitvoeren.

Brinkmans belangrijkste bezwaar was dat de korpsleiding zou worden uitgebreid met een vijfde man die met de OR moest overleggen. Hij zegt dat hij op 30 mei tijdens overleg met Peper de stellige indruk had gekregen dat die vijfde man er niet zou komen. Peper voerde deze oplossing voor het conflict met de OR toch op in zijn rapport.