Jongens en meisjes rekenen anders, maar even goed

Al heel lang onderzoeken wiskundigen en psychologen of er verschillen zijn in de wiskundige kennis en kunde van jongens en meisjes.

Zo is al eens gevonden dat meisjes beter zouden zijn in rekenen, en jongens weer in het oplossen van vraagstukken, terwijl ze elk verschillende soorten fouten maken. Meisjes zouden ook meer geneigd om te 'stampen', terwijl jongens hun oplossingsstrategie meer overdenken. Dergelijke verschillen werden wel toegeschreven aan de verschillende ervaringen van jongens en meisjes te midden van leeftijdsgenootjes in de klas. Jongens zouden door hun 'natuurlijke' voorkeur voor strijd en competitie aangezet worden tot het bedenken en volgen van ingewikkelde strategieën, terwijl meisjes meer hun leraren en leraressen tevreden zouden willen stellen.

Onlangs presenteerden twee onderwijspsychologen van de University of Georgia de resultaten van een studie waarin ze geprobeerd hebben wat meer helderheid in deze kwesties te verschaffen (Journal of Educational Psychology, juni 1997). Ze volgden een jaar lang 58 leerlingen van groep drie gedurende hun eerste kennismaking met het vak rekenen. Tijdens dat jaar kregen de leerlingen drie keer een aantal sommetjes voorgelegd, zowel individueel als in gemengde groepen. Na afloop van zon 'sessie' moesten ze vragen beantwoorden over de manier waarop ze dat gedaan hadden. Daarnaast kregen ze ook nog vragen over hun eigen ideeën ten aanzien van de verschillende oplossingsstrategieën: met de vingers tellen, in gedachten tellen of zich de oplossing herinneren. Vanzelfsprekend werden deze vrij abstracte concepten heel duidelijk geïllustreerd met behulp van tekeningetjes. Alles werd bovendien vastgelegd op video.

Uit de analyse van deze video's en van de interviews kwam (opnieuw) een aantal opvallende verschillen tussen jongens en meisjes aan het licht. Niet wat betreft de aantallen gemaakte fouten, want daarin deden ze niet voor elkaar onder. Meisjes maakten wel veel vaker gebruik van hulpmiddelen als telramen of hun eigen vingers. Ze waren blijkbaar meer bezorgd over het vinden van het goede antwoord, terwijl jongens - zeker in het begin ten onrechte - geheel vertrouwden op hun herinnering. En zelfs al werkte deze methode niet, ze bleven er toch koppig aan vasthouden.

Dergelijke verschillen kwamen zowel tijdens de individuele sessies als tijdens de groepsessies aan het licht. Jongens waren zich overigens niet méér bewust van de manier waarop ze de sommen oplosten. En dat zou je wel verwachten, wanneer ze een bepaalde strategie toepassen om beter de competitie te kunnen aangaan. Het meest opvallende resultaat van het onderzoek was wel dat in groepsverband ook de meisjes de neiging vertoonden om de hulpmiddelen te laten voor wat ze waren. De onderzoekers ontkennen echter ten stelligste dat dat het gevolg zou zijn geweest van sociale druk: “De jongens maakten de meisjes niet belachelijk, omdat zij op hun vingers of een telraam telden. Sociale druk komt voor, maar niet in groep drie.” De werkelijke oorzaak blijft dus nog even een mysterie.