Jankende honden; Wetenschap en ethiek worstelen met vragen over dierenleed

Kunnen varkens, kippen en aasvisjes pijn voelen en frustratie ervaren? Dieronderzoekers zijn verdeeld. Respect is mogelijk een betere basis voor het ingrijpen in de bio-industrie dan het wegnemen van dierenleed.

DAT ZOVEEL BIGGETJES worden doodgespoten vanwege de varkenspest is geen prettig idee. Evenmin zien we graag dat varkens en kippen worden opgesloten in te kleine ruimtes. Wellicht ontstaat de weerzin omdat we aannemen dat dieren gevoelens hebben en kunnen lijden. Hierop is ook de Dierengezondheids- en welzijnswet uit 1992 gebaseerd. Een praktijk is volgens deze wet verboden wanneer het dierenwelzijn wordt geschaad, en het doel van de praktijk dit schaden niet rechtvaardigt.

Maar heeft een dier gevoelens van welzijn en lijden? En wat betekent het antwoord hierop voor de manier waarop we met dieren moeten omgaan? Over deze vragen buigen filosofen, dierpsychologen, neurologen en ethologen zich komende week tijdens het congres Perspectives on Animal Consciousness in Wageningen. “Zowel in de wetenschap als in de politiek is dierenleed een mijnenveld”, zegt de Leidse neuroloog dr. Ruud van den Bos, redacteur van de onlangs verschenen bundel 'Animal consciousness and Animal Ethics'. Vorig jaar was er het conflict over aasvisjes in de snoekbaarsvangst. Minister Van Aartsen wilde dat sportvissers kunstaas gebruiken omdat de aasvisjes zo hard door het water worden gesleurd dat ze snel sterven. Op zijn voorstel kreeg hij twee brieven. Eén van dieronderzoekers die meenden dat vissen niet lijden. En één van dieronderzoekers die meenden dat ze wel lijden. Politiek en wetenschap raken zo te veel verweven, vindt Van den Bos. “De Dierenbescherming huurt de ene groep onderzoekers in, de sportvissers de andere en de onderzoekers beschuldigen elkaar van ideologie. Daardoor verdwijnt het wetenschappelijk debat over de vraag hoe je de ervaring van dieren onderzoekt, naar de achtergrond.

Over één ding zijn de dieronderzoekers het eens: dat dieren gevoelens hebben is niet te bewijzen. Gevoelens zijn te vaag, vinden veel ethologen. Bij het interpreteren van gedrag bestuderen ze liever relaties tussen gedragingen en meetbare factoren als huisvesting, hormoonconcentraties, hartslag, ziektes, vruchtbaarheid of genotype. Tegelijkertijd nemen de meeste ethologen wel aan dat dieren gevoelens hebben. Honden janken als ze worden geschopt, hazen vluchten bij geluid, en de opgesloten fokzeugen kauwen voortdurend op stangen. Dit gaat gepaard met hartritme-stoornissen en verhoging van de concentratie aan angststoffen. Het is moeilijk voor te stellen dat deze fysiologische responsen niet gekoppeld zijn aan pijn, angst en stress.

DOLFIJNEN

Andere dieronderzoekers, veelal afkomstig uit de psychologie of neurologie, betwijfelen sterk of dieren gevoelens hebben. Dierpsycholoog Bob Bermond van de Universiteit van Amsterdam heeft afgelopen jaren regelmatig de Dierenbescherming geërgerd met zijn stelling dat dieren géén gevoelens hebben, met uitzondering van chimpansees en misschien dolfijnen. Bermond verzet zich tegen de aanname van veel biologen dat emotioneel gedrag en fysiologische responsen noodzakelijk gekoppeld zijn aan gevoel. De psychologie kent vele voorbeelden die aannemelijk maken dat dit niet zo is. Mensen kunnen de boel kort en klein slaan, en tegelijkertijd zeggen niet boos te zijn; ze kunnen huilen en zeggen: 'mijn ogen wateren'. Dieren missen een volgroeide, prefrontale cortex. Dit deel van de hersenen is volgens Bermond noodzakelijk voor het ervaren van gevoelens. Vroeger werd het wel weggehaald als iemand ernstige, chronische pijn had. Neveneffect was echter dat ze ook andere gevoelens kwijtraakten.

Bermond meent dat het vanuit evolutionair oogpunt onwaarschijnlijk is dat dieren gevoelens hebben. Gevoelens werken door nadat ze niet meer effectief zijn. Het beleven van angst nadat de vijand weg is, kost onnodige energie. Bij mensen leiden gevoelens tot heilzame reflectie. Maar reflectie vraagt hogere cognities als zelfbewustzijn en langetermijnplanning, en dat is alleen voor chimpansees beschreven.

Op het punt van de relatie tussen gevoelens en bewustzijn is er echter verdeeldheid onder psychologen en neurologen. “Hoe zit het bij baby's die noch een volgroeide prefrontale cortex, noch een bewustzijn hebben”, aldus Van den Bos. De ontwikkeling van de hersenen bij baby's en jonge kinderen moet volgens hem eerst worden onderzocht, alvorens een uitspraak te kunnen doen over dieren.

Voor onderzoekers die menen dat dieren geen gevoelens hebben kan dierenleed natuurlijk geen argument zijn voor ingrepen in de bio-industrie. Er kunnen echter andere overwegingen zijn om in te grijpen. Respect voor leven kan een overweging zijn, of het feit dat de mensen die de mishandeling zien eronder lijden. Dr. Jan Grommers, emeritus hoogleraar Mens-dier relaties aan de Universiteit Utrecht, meent dat inzicht in de vraag in hoeverre dieren lijden geen antwoord kan geven op vragen als: mogen we klonen, mogen we genetisch manipuleren, mogen we staarten couperen? Moleculair-biologen zeggen al gauw dat dieren niet lijden. “Maar dat vind ik niet bevredigend”, zegt Grommers. “De intuïtie van veel mensen zegt dat wie echt respect heeft voor dieren, ze niet snel genetisch zal manipuleren.”

KLEINE SCHUREN

Grommers kiest voor een 'ecocentrisch denken' waarbij hoort dat je het dier zoveel mogelijk zijn natuurlijk leven laat leiden. Hiertegenover staat de gangbare antropocentrische benadering, die dieren als middel ziet voor menselijke doeleinden, met als enige beperking dat de dieren niet mogen lijden. Probleem hierbij, vindt Grommers, is dat men blijft kampen met ethische dilemma's. “Destijds heeft de gangbare landbouw de antropocentrische keuze gemaakt de veestapel te laten groeien in kleine schuren. Maatregelen om de ziektedruk te verkleinen hebben de dieren steeds verder verwijderd van hun natuurlijk leven: ze huizen in kale stallen met veel ijzerwerk.” Volgens de hoogleraar richt men zich op het wegnemen van welzijnsproblemen, in plaats van op het bevorderen van welzijn. Het huidige gedragsonderzoek bestaat vaak uit het meten van afwijkingen in hartritmes, gedragingen, vruchtbaarheid en hormonen.

Etholoog dr. Jeroen van Rooijen van het proefstation Het Spelderholt sluit zich bij de roep om ecocentrisch denken aan. Hij zal tijdens het congres pleiten voor gedragsstudies naar de natuurlijke behoeftes en voorkeuren van landbouwhuisdieren. Dat betekent het diergedrag bestuderen in een zo ongestoord mogelijke omgeving, met voldoende ruimte en keuzemogelijkheden. Mede op basis van de natuurlijke voorkeuren van landbouwhuisdieren kan de politiek beslissingen nemen. In die positie hoeven de ethologen zich niet meer uit te spreken over dierenleed.